In een arrest van 22 april 2021 (nr. 58/2021) heeft het Grondwettelijk Hof positief geantwoord op een prejudiciële vraag van de arbeidsrechtbank van Waals-Brabant, afdeling Waver, betreffende de situatie van een buitenlands gezin dat illegaal in het land verblijft.
——-
Het arrest nr. 58/2021 van 22 april 2021 van het Grondwettelijk Hof betreft de materiële hulp aan minderjarige vreemdelingen die samen met hun ouders illegaal op het Belgische grondgebied verblijven. De zaak heeft betrekking op de beperking van deze hulp tot een collectieve opvangstructuur, terwijl andere kwetsbare categorieën van vreemdelingen recht hebben op opvang in een individuele structuur.
De prejudiciële vraag stelde het verschil in behandeling aan de orde tussen minderjarigen in illegaal verblijf en andere kwetsbare begunstigden van de opvangwet, die zich nochtans in een vergelijkbare situatie bevinden. De regeling liet geen uitzondering toe op grond van bijzondere familiale of medische omstandigheden.
In de concrete zaak bestond het gezin uit twee ouders, twee minderjarige kinderen en een meerderjarige zoon met een zware handicap die niet in een collectieve opvangstructuur kon verblijven en bij zijn familie moest worden gehuisvest. Door het absolute verbod op individuele opvang werd het gezin geconfronteerd met onevenredige gevolgen.
Het Hof oordeelde dat artikel 60 van de wet van 12 januari 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, gelezen in samenhang met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, wanneer medische redenen een collectieve opvang onmogelijk maken.
Deze vaststelling van ongrondwettigheid is strikt beperkt tot deze uitzonderlijke situatie. Buiten dergelijke medische omstandigheden blijft de wettelijke regeling objectief verantwoord en niet-discriminerend.
Lees de samenvatting in een andere taal :