Het nieuwe Strafwetboek, gestemd in 2024 en van toepassing vanaf 1 september 2026, vervangt het Wetboek van 1867, waarmee België een van de laatste landen is dat zich losmaakt van de Napoleontische erfenis. Het strafrecht treft de verschillende lagen van de bevolking niet op gelijke wijze: armoede stelt de behoeftige meer bloot aan de reactie van justitie, zoals blijkt uit de zittingen van de correctionele rechtbanken en de toestand van onze gevangenissen, die overwegend bevolkt worden door personen uit de meest kwetsbare bevolkingsgroepen.

Het nieuwe Wetboek beoogt in de eerste plaats een grotere leesbaarheid en toegankelijkheid, want de vereenvoudiging van het gerechtelijk taalgebruik vormt een fundamentele maatschappelijke uitdaging: de complexiteit van de regels schept afstand tussen de rechtzoekende en zijn rechter, versterkt het gevoel van uitsluiting en diskwalificeert de rechtzoekende als actor in zijn eigen proces. Inhoudelijk verlaat het Wetboek het kunstmatige mechanisme van de correctionalisering, de driedeling van de misdrijven in misdaden, wanbedrijven en overtredingen die geërfd is van de Code Napoléon, en verdeelt het de straffen voortaan in acht niveaus.

Deze niveaus, gaande van niveau 8 – de levenslange gevangenisstraf – tot niveau 1 – de geldboete of de werkstraf –, bieden de rechter een verhoogde leesbaarheid, met dien verstande dat de verzachtende omstandigheden een essentieel instrument blijven om af te dalen in de strafschaal. De diversificatie van de straffen, gestoeld op het beginsel van de individualisering, biedt de strafrechter een ruimer palet aan passende strafrechtelijke antwoorden. Tot de nieuw ingevoerde straffen behoren het beroepsverbod, de vervallenverklaring van het recht tot sturen en het verbod van verblijfplaats, van plaats of van contact, dat met name nuttig is ter bescherming van slachtoffers van belaging of intrafamiliaal geweld.

Artikel 27 van het Wetboek legt vier doelstellingen van de straf vast: het uitdrukken van de afkeuring door de samenleving, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en het herstel van de schade, het bevorderen van de rehabilitatie en de sociale re-integratie van de dader, en de bescherming van de samenleving. De vergelding – de delinquent straffen door hem leed toe te brengen omwille van het aangerichte leed – werd bewust uit deze doelstellingen geweerd, want op het vlak van doeltreffendheid is nooit aangetoond dat strengere straffen het criminaliteitscijfer doen dalen.

De gevangenisstraf, die de desintegratie en het risico op recidive versterkt, wordt voortaan beschouwd als het uiterste middel: zij kan slechts worden uitgesproken wanneer de doelstellingen van de straf door geen enkele andere straf of maatregel kunnen worden bereikt. De afschaffing van de vervangende gevangenisstraf bij niet-betaling van de geldboete maakt een einde aan een zwaard van Damocles dat in de eerste plaats boven het hoofd hing van wie niet kon betalen.

Voor de meest behoeftigen zijn de vermogensstraffen – geldboete en verbeurdverklaring – een ongerijmdheid: terwijl de problematiek geworteld is in een situatie van diepe armoede, kiest men ervoor hen nog verder te verarmen. Daartegenover staat een nieuwe proportionele vermogensstraf, evenredig aan het beoogde of verkregen voordeel, die erop gericht is de financiële delinquent te bestraffen naar de concrete inzet van de onrechtmatige daad, opdat misdaad niet loont.

Wat de recidive betreft, heeft de wetgever een stelsel van algemene en facultatieve recidive behouden, dat toelaat een straf van het onmiddellijk hogere niveau op te leggen wanneer het nieuwe misdrijf wordt gepleegd binnen de vijf jaar na een eerdere veroordeling, ongeacht de aard van de feiten. De ervaring op het terrein leert evenwel dat de gevangenis recidive voortbrengt, in het bijzonder bij wie zijn straf volledig uitzit zonder enige begeleiding, en dat de oplossing niet binnen haar muren te zoeken is, maar daarbuiten, via rehabilitatie en sociale re-integratie.

Het strafrecht herbergt aldus de paradox dat het tegenstrijdige functies toebedeeld krijgt: het blinkt uit in repressie en vrijheidsberoving, maar blijkt veel minder slagkrachtig wanneer het erop aankomt de re-integratie van de veroordeelde mogelijk te maken en recidive te voorkomen. De werkelijke uitdaging zou erin bestaan processen te ontwikkelen die de persoon en zijn daden opnieuw zin geven, in een perspectief van responsabilisering en zelfredzaamheid – een opdracht die voortaan rust op de schouders van de actoren op het terrein, belast met de getrouwe toepassing van dit nieuwe Wetboek.

Lees het commentaar in de oorspronkelijke taal: