Dit artikel neemt twee tegengestelde rechterlijke beslissingen uit Luik als uitgangspunt – de ene uitgesproken door de correctionele rechtbank, de andere door het hof van beroep – over de ontvankelijkheid van een laattijdig verzet door een analfabete beklaagde. Waar de eerste rechter had aanvaard dat het analfabetisme van de beklaagde, “weinig gesocialiseerd en ongeletterd”, een geval van overmacht kon uitmaken dat de overschrijding van de wettelijke termijn rechtvaardigde, hanteert het hof van beroep een strikte en legalistische lezing en oordeelt dat deze situatie tot de “eigen verantwoordelijkheidssfeer” van de betrokkene behoort.
Het artikel bevraagt eerst de vermeende neutraliteit van de strafprocedure. Deze presenteert zich als een uniform systeem dat de gelijke behandeling en de rechtszekerheid waarborgt. In de lijn van de kritische rechtsleer toont het artikel echter aan dat die neutraliteit een fictie is: het strafrecht is ingebed in een sociale en economische context, en de regels ervan kunnen, wanneer ze zonder aanpassing worden toegepast, structurele ongelijkheden en discriminaties (re)produceren. Analfabetisme, het ontbreken van een stabiele huisvesting of sociaal isolement vormen evenzoveel niet-monetaire drempels voor de effectieve toegang tot een rechter, nochtans gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Door elke inaanmerkingneming van deze realiteiten te weigeren, voegt het hof van beroep aan de sociale uitsluiting een gerechtelijke uitsluiting toe.
Vervolgens richt het artikel zich op de vertogen die in de beslissingen worden ontwikkeld. Het hof van beroep draagt, bewust of onbewust, mythes en stereotypen over precariteit uit, met name het impliciete onderscheid tussen “goede” en “slechte” armen, gebaseerd op een individualistische en meritocratische visie die de structurele determinanten van analfabetisme verhult. Deze vertogen dragen bij tot de bestendiging van machtsdynamieken en culturele processen die, onder het mom van neutraliteit, een dominante lezing van de wereld in stand houden.
Tegenover deze vaststellingen pleit het artikel voor nieuwe gerechtelijke narratieven en nodigt het magistraten uit om een structurele en contextuele visie op precariteit te hanteren, onder meer steunend op de “demosprudence” – een benadering die de betrokken personen centraal plaatst in het gerechtelijk proces, hun agentiviteit erkent en hun getuigenissen integreert in de opbouw van het vonnis. Rechters, als centrale actoren van het systeem, hebben een ethische plicht om de reproductie van systemische ongelijkheden te bestrijden en alternatieve vertogen aan te reiken tegenover paternalistische stereotypen. Want een strafrechtsbedeling die de ongelijkheden die zij reproduceert negeert, is niet neutraal: zij maakt deel uit van het probleem.
Lees dit commentaar in de oorspronkelijke taal: