De automatisering van sociale rechten wordt vaak voorgesteld als een doeltreffend antwoord op het niet-gebruik van sociale uitkeringen, doordat zij administratieve vereenvoudiging en een snellere toegang tot rechten mogelijk maakt. Deze logica houdt echter aanzienlijke risico’s in voor de daadwerkelijke effectiviteit van die rechten, in het bijzonder voor de meest kwetsbare personen. Wanneer de toekenning van een recht uitsluitend steunt op gegevens die beschikbaar zijn in administratieve databanken, worden personen die niet in deze registers voorkomen de facto uitgesloten van sociale bescherming, ook al voldoen zij aan de wettelijke voorwaarden om er recht op te hebben.
Twee vonnissen van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel illustreren deze ontsporingen op concrete wijze. In de eerste zaak werd een vrouw met een handicap, die tijdelijk bij haar broer verbleef bij gebrek aan aangepaste opvangstructuren, een herhuisvestingstoelage geweigerd omdat zij bepaalde administratieve bewijsstukken niet kon voorleggen. Hoewel zij niet beschikte over een eigen woning noch over voldoende bestaansmiddelen, leidde de gedeeltelijke automatisering van het recht — gekoppeld aan de voorafgaande toekenning van andere sociale uitkeringen — tot een ongerechtvaardigde uitsluiting en tot een langdurig en complex gerechtelijk traject.
De tweede beslissing toont de gevolgen aan van een exclusief beroep op authentieke bronnen, met name het bevolkingsregister. Door het bewijs van de samenstelling van het gezin te beperken tot een gemeentelijk document, werd de feitelijke realiteit van een huishouden genegeerd waarin een persoon zonder wettig verblijf toch duurzaam aanwezig was. Deze bewijslastbeperking leidde tot een foutieve beoordeling van de geschiktheid van de woning, waardoor het gezin een nochtans gerechtvaardigde steun werd ontzegd.
Deze situaties leggen een fundamenteel probleem bloot: de verwarring tussen de definitie van het door een sociale maatregel beoogde publiek en de vastlegging van de bewijsmodaliteiten voor de vaststelling van de rechthebbendheid. Onder het mom van administratieve vereenvoudiging gaan de vereiste bewijsstukken uiteindelijk zelf het toepassingsgebied van het recht bepalen, waardoor de draagwijdte van de oorspronkelijke politieke wil wordt uitgehold. De automatisering wordt zo een instrument van indirecte selectie van begunstigden, niet op basis van hun werkelijke situatie, maar op grond van hun administratieve zichtbaarheid.
Het fenomeen van het niet-gebruik van sociale rechten is ruim gedocumenteerd en kent verschillende vormen: niet-kennis, niet-aanvraag en niet-ontvangst van het recht. Deze laatste vorm staat centraal in de analyse en betreft personen die op de hoogte zijn van hun rechten en een aanvraag hebben ingediend, maar geconfronteerd worden met een onwettige of onaangepaste weigering. Gericht sociaal beleid, dat gepaard gaat met een veelheid aan formele voorwaarden en bewijsstukken, versterkt dit soort niet-gebruik en verdiept de sociale uitsluiting.
De automatisering van rechten, gebaseerd op het “once only”-principe, wil burgers vrijwaren van het herhaaldelijk aanleveren van dezelfde informatie. Hoewel zij het probleem van de niet-aanvraag kan verminderen, vergroot zij tegelijk het risico op niet-ontvangst voor iedereen wiens levensloop buiten de administratieve databanken valt: personen zonder stabiele huisvesting, vreemdelingen, begunstigden van internationale bescherming, informele werknemers of mensen zonder administratieve inschrijving.
Het streven naar administratieve efficiëntie mag echter geen voorrang krijgen op de toegankelijkheid van de fundamentele rechten. Overheidsbeleid kan niet worden herleid tot een louter technische optimalisatie van procedures. Sociale bijstand en huisvestingssteun, die onder meer door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend als essentieel voor een menswaardig bestaan, vereisen een reële gelijkheid in toegang en behandeling.
De waarborging van de daadwerkelijke uitoefening van rechten veronderstelt dan ook een herdenking van de automatisering, met aandacht voor de diversiteit van individuele situaties. Administratieve databanken mogen niet fungeren als exclusief bewijsmiddel. De overheid moet beschikken over een beoordelingsmarge die toelaat elk relevant bewijsmiddel te aanvaarden, de juridische begrippen te harmoniseren en uitsluitingen als gevolg van onaangepaste formele vereisten te voorkomen.
Bij gebrek aan dergelijke waarborgen dreigt de automatisering van sociale rechten het tegenovergestelde effect te hebben van wat wordt beoogd: in plaats van het niet-gebruik te bestrijden, kan zij uitgroeien tot een nieuwe bron ervan en zo de kwetsbaarheid versterken van de personen die zij juist wil beschermen.
Lees het volledige commentaar in de oorspronkelijke taal: