De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 16 juni 2021 betreffen twee strafzaken inzake sociale fraude waarin het bewijs hoofdzakelijk steunde op een zogenaamd “doorgedreven sociaal onderzoek” uitgevoerd door het OCMW Gent. In beide dossiers ging het om vermeende samenwoonstfraude die leidde tot het onterecht ontvangen van sociale uitkeringen.

De rechtbank onderzoekt ambtshalve de rechtsgeldigheid van de observaties, het huisbezoek en het confrontatiegesprek in het licht van de grondwettelijke en verdragsrechtelijke waarborgen inzake eerbiediging van het privéleven en de onschendbaarheid van de woning. Voor stelselmatige observaties door maatschappelijk werkers ontbreekt een voldoende precieze wettelijke basis. Hoewel beperkte observaties in het kader van een sociaal onderzoek mogelijk zijn, moeten zij beantwoorden aan de beginselen van wettelijkheid, proportionaliteit en finaliteit. De uitgevoerde observaties waren langdurig, herhaald en systematisch en overschreden deze grenzen.

Ook voor het huisbezoek bestaat geen volwaardig wettelijk kader. De concrete uitvoering ging aanzienlijk verder dan een normaal sociaal huisbezoek en nam de vorm aan van een echte huiszoeking waarbij verschillende kamers, kasten en private ruimtes werden doorzocht. Dit gebeurde in het kader van een lopend fraudeonderzoek en zonder geïnformeerde toestemming of gerechtelijk mandaat.

Het daaropvolgende confrontatiegesprek steunde op onregelmatig verkregen elementen en werd gevoerd onder druk, zonder eerbiediging van de rechten van verdediging. Door deze opeenvolgende onregelmatigheden werd het loyaliteitsbeginsel geschonden en raakte de betrouwbaarheid van het bewijs ernstig aangetast.

De rechtbank verklaart de bewijselementen afkomstig uit het sociaal onderzoek nietig en sluit ze uit. In de eerste zaak leidt dit tot de vrijspraak wegens gebrek aan ander bewijs. In de tweede zaak blijft de tenlastelegging bewezen op basis van onafhankelijke bewijselementen.

Lees de samenvatting in een andere taal: