De beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op het hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter te 3de Kanton Antwerpen van 5 december 2019 betreft een betwisting van een sociale wooneenheid die door een sociale huisvestingsinstantie aan een persoon werd toegewezen, hoewel die eigenaar was van een woning in het buitenland. De Vlaamse Wooncode staat niet toe dat een sociale woning wordt verkregen door een aanvrager die in België of in het buitenland onroerend goed bezit.
—–
Het sociaal huurstelsel in Vlaanderen bevat een strikte voorwaarde inzake onroerend bezit: (kandidaat-)huurders mogen geen woning of bouwgrond bezitten, noch in België noch in het buitenland. Deze regel beoogt te waarborgen dat sociale woningen worden voorbehouden aan de meest woonbehoeftigen. De controle op binnenlands eigendom verloopt relatief eenvoudig, maar het nagaan van buitenlands vastgoedbezit stuit op aanzienlijke praktische en financiële moeilijkheden.
Om deze leemte te verhelpen, schakelen sociale huisvestingsmaatschappijen steeds vaker private onderzoeksbureaus in. Deze praktijk leidde tot een maatschappelijk en juridisch debat over privacybescherming, gelijke behandeling en de betrouwbaarheid van dergelijke onderzoeken. Kritiek richt zich onder meer op het beperkte fraudepercentage, de hoge kosten en de vraag of de gebruikte methodes voldoende transparant en proportioneel zijn.
In de besproken zaak ondertekenden sociale huurders een toestemmingsverklaring waardoor hun persoonsgegevens aan een privaat onderzoeksbureau werden overgemaakt. Het onderzoek wees uit dat zij onroerend goed bezaten in Turkije, wat aanleiding gaf tot de beëindiging van de huurovereenkomst en tot de terugvordering van de sociale huurkorting en de onderzoekskosten. De huurders betwistten dit en voerden aan dat hun recht op privacy werd geschonden en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen.
De rechter in hoger beroep stelde vast dat de toestemming niet vrij was gegeven, aangezien de huurders geen werkelijke keuze hadden en zich in een afhankelijkheidspositie bevonden ten opzichte van de sociale verhuurder. Hierdoor was het bewijs onrechtmatig verkregen. Toch werd het onderzoeksrapport niet uitgesloten op grond van de Antigoonrechtspraak, aangezien de onregelmatigheid geen afbreuk deed aan de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht op een eerlijk proces niet werd geschonden.
De beëindiging van de huurovereenkomst werd daarom bevestigd. Door het verzwijgen van buitenlands eigendom hadden de huurders een contractuele wanprestatie gepleegd. De veroordeling tot betaling van de onderzoekskosten werd daarentegen vernietigd wegens het ontbreken van een duidelijke juridische grondslag.
Het vonnis onderstreept het spanningsveld tussen het recht op privacy en het algemeen belang van een rechtvaardige toewijzing van sociale woningen. De controle op buitenlands vermogen wordt erkend als noodzakelijk om misbruik te voorkomen en het recht op wonen van de meest kwetsbaren te beschermen. Tegelijk blijkt dat de huidige praktijk nood heeft aan een duidelijk wettelijk kader, transparante procedures en sterke waarborgen, zodat kwetsbare huurders hun rechten daadwerkelijk kunnen laten gelden.
Lees het commentaar in een andere taal :