Een persoon met subsidiaire beschermingsstatus ontvangt vanaf november 2018 een leefloon van het OCMW. In het kader van huisvesting sluiten beide partijen in juni 2019 een kortlopende overeenkomst van precaire bezetting, die tijdelijk onderdak moet bieden. Omdat geen alternatieve woning wordt gevonden, wordt een verlenging opgesteld, maar deze wordt niet ondertekend. Kort vóór het einde van de overeenkomst wordt de betrokkene per brief geïnformeerd over de beëindiging, zonder daarop te reageren wegens voorlopige hechtenis. Na haar vrijlating neemt zij opnieuw haar intrek in de woning.
Het OCMW start daarop een procedure voor de vrederechter om vast te stellen dat de overeenkomst van rechtswege is geëindigd en dat de bezetting sindsdien zonder recht of titel plaatsvindt. Het OCMW vordert de uithuiszetting en de betaling van bezettingsvergoedingen. Na een bevoegdheidsdiscussie tussen de vrederechter en de arrondissementsrechtbank wordt de zaak opnieuw voor de vrederechter gebracht, aangezien geen formele beslissing bestaat waarbij het recht op maatschappelijke dienstverlening werd beëindigd.
De vrederechter onderzoekt de geldigheid van de bezettingsovereenkomst vanuit de veronderstelling dat de onderliggende rechtsverhouding steunt op een effectief recht op maatschappelijke dienstverlening. Daarbij rijst de vraag of de toepassing van de OCMW-wet geen ongelijkheidsprobleem creëert tussen personen die via een tijdelijke bezettingsovereenkomst worden gehuisvest en personen die huisvesting ontvangen als vorm van maatschappelijke dienstverlening.
Het Grondwettelijk Hof benadrukt dat het recht op maatschappelijke dienstverlening geen automatisch of absoluut recht is. Het ontstaat slechts na een aanvraag, een individueel sociaal onderzoek en een formele beslissing van het OCMW. Zowel de toekenning als de wijziging of beëindiging van deze hulp vereist een uitdrukkelijke beslissing van het OCMW, onder toezicht van de arbeidsrechtbank.
Aangezien in deze zaak geen formele beslissing bestaat over de toekenning, wijziging of beëindiging van maatschappelijke dienstverlening, kan niet worden vastgesteld dat de overeenkomst werd gesloten binnen een rechtsverhouding inzake maatschappelijke dienstverlening. Het loutere feit dat de betrokkene mogelijk in aanmerking zou komen voor dergelijke hulp volstaat daarvoor niet.
Het Hof besluit dat de prejudiciële vraag steunt op een onjuiste premisse, aangezien de rechtsverhouding tussen de partijen niet wordt beheerst door de bepalingen van de OCMW-wet waarover het Hof werd ondervraagd.
Lees de samenvatting in een andere taal :