In het kader van de COVID-19-pandemie beoogde artikel 46 van de wet van 20 december 2020 de persoonlijke verschijning voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij te beperken, door te bepalen dat geïnterneerde personen in principe niet langer fysiek door de rechter zouden worden gehoord. Deze maatregel had tot doel de volksgezondheid te beschermen door het aantal contacten en overbrengingen te verminderen, maar tastte een essentiële waarborg van de individuele vrijheid aan: het recht om door een rechter te worden gehoord bij vrijheidsbeneming.

Verschillende geïnterneerde personen stelden bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging in, gekoppeld aan een vordering tot schorsing, waarbij zij zich beriepen op een aantasting van de procedurele waarborgen verbonden aan het habeas corpus. Het Hof erkent zonder moeite hun belang om op te treden en herinnert eraan dat de bescherming tegen willekeurige vrijheidsberoving zo fundamenteel is voor de rechtsstaat dat iedere burger een blijvend belang heeft bij de eerbiediging ervan. Voor geïnterneerde personen is deze waarborg des te belangrijker, aangezien hun persoonlijke verschijning de rechter in staat stelt hun individuele situatie en mentale toestand concreet te beoordelen.

Het Hof stelt vast dat de ontneming, zelfs tijdelijk, van dit recht kan leiden tot een onnodige verlenging van de internering of tot de weigering van maatregelen die rechtstreeks gevolgen hebben voor de vrijheid. Een dergelijk nadeel is zowel ernstig als onherstelbaar, aangezien geen enkele latere tussenkomst een onrechtmatige vrijheidsberoving kan goedmaken. Deze vaststelling weegt des te zwaarder omdat het gaat om bijzonder kwetsbare personen.

Ten gronde acht het Hof het middel ernstig dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 5, § 4, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Europese rechtspraak vereist immers een bijzonder strikte toetsing van procedurele beperkingen die het recht aantasten om een vrijheidsbeneming door een rechter te laten toetsen. Het persoonlijk horen van de betrokkene vormt het uitgangspunt, voor zover hij of zij in staat is zijn wil kenbaar te maken, eventueel met bijstand van een advocaat.

Hoewel het doel van de bescherming van de volksgezondheid als legitiem wordt erkend, oordeelt het Hof dat de quasi algemene afschaffing van de persoonlijke verschijning verder gaat dan noodzakelijk. Er wordt niet aangetoond waarom dit doel niet kon worden bereikt met minder ingrijpende maatregelen, zoals videoconferenties, zittingen in aangepaste lokalen of hoorzittingen binnen de interneringsinstelling zelf. Het laattijdige karakter van de maatregel en de mogelijkheid voor het slachtoffer om wel persoonlijk te verschijnen versterken het disproportionele karakter ervan.

Het Hof benadrukt dat het onaanvaardbaar is dat kwetsbare personen worden beroofd van de mogelijkheid om te worden gehoord, terwijl deze waarborg onmisbaar is om te voorkomen dat zij langer dan nodig van hun vrijheid worden beroofd. Artikel 46 wordt daarom met onmiddellijke ingang geschorst.

Dit arrest vormt een krachtige bevestiging van de waarde van het habeas corpus en van de centrale rol van de rechter bij de bescherming van de individuele vrijheid. Het herinnert eraan dat sanitaire noodsituaties, hoe ernstig ook, niet kunnen rechtvaardigen dat fundamentele procedurele waarborgen worden uitgehold, zeker niet ten aanzien van personen in een kwetsbare positie. De beslissing past bovendien in een bredere context van aanhoudende kritiek op het Belgische interneringsbeleid, dat nog steeds wordt gekenmerkt door de opsluiting van vele personen met een psychische aandoening in gevangenissen.

Het Grondwettelijk Hof bevestigt aldus dat de kracht van de rechtsstaat niet wordt gemeten aan zijn vermogen om in crisistijden rechten te beperken, maar aan zijn capaciteit om de fundamentele waarborgen te beschermen van wie daar het meest nood aan heeft.

Lees de samenvatting in een andere taal :