Het Waalse decreet van 22 september 2022 voorzag in een tijdelijke opschorting van de uitvoering van gerechtelijke en administratieve uithuiszettingsbesluiten van 1 november 2022 tot 15 maart 2023, in het kader van de uitzonderlijke energiecrisis en de sterk gestegen levensduurte .
Verschillende verhuurders en een eigenaarsvereniging hebben tegen deze maatregel een beroep tot opschorting en nietigverklaring ingesteld, waarbij onder meer een schending van het eigendomsrecht, de scheiding der machten en de federale bevoegdheden inzake justitie werd aangevoerd.
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de tijdelijke opschorting van uithuiszettingen verenigbaar is met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De maatregel nastreeft een legitiem doel van algemeen belang, namelijk voorkomen dat kwetsbare huurders tijdens de koudste maanden van het jaar dakloos worden in een context van uitzonderlijke energieprijzen en hoge inflatie.
De opschorting draagt bij tot de bescherming van fundamentele rechten, waaronder het recht op eerbiediging van de woning en het recht op een menswaardig bestaan. Zij vormt een reactie op een onvoorziene en dringende situatie en is beperkt in de tijd.
De maatregel tast het bestaan noch het bedrag van de huurvorderingen van verhuurders aan en waarborgt aldus een billijk evenwicht tussen de belangen van huurders en eigenaars. Het staat de gewone rechter vrij te beoordelen of een verhuurder aanspraak kan maken op een schadevergoeding op grond van het beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten.
Onder deze interpretatieve voorwaarde verwerpt het Hof het beroep en bevestigt het de grondwettigheid van het tijdelijke verbod op uithuiszettingen
Lees de samenvatting in een andere taal :