In het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, werd de wet van 20 december 2020 « houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » aangenomen. Artikel 46 van die wet beoogt in principe een verbod voor geïnterneerden om in persoon te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Verschillende geïnterneerde personen hebben daartegen een beroep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof en vragen de vernietiging en de schorsing van het betreffende artikel. Ze zijn van mening dat de beperking op procedurele waarborgen afbreuk doet aan de bescherming van hun vrijheid.

Lees het artikel in een andere taal :