Brusselse vrederechters komen in opstand tegen het wintermoratorium. Brusselse vrederechters komen in opstand tegen het wintermoratorium. Deze rechters nemen de kritiek over van de afdeling wetgeving van de Raad van State tegen de ordonnantie die het verbod op huisuitzettingen in de winter invoert, en hebben prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof wegens schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie samengelezen met het eigendomsrecht van de verhuurders. Het antwoord dat het Grondwettelijk Hof zal geven op deze vragen – en het lot dat het zal voorbehouden aan het verzoekschrift tot nietigverklaring dat tegen hetzelfde moratorium is ingesteld door het Nationale Eigenaarssyndicaat – is van het grootste belang voor zowel verhuurders als huurders.
—-
Het wintermoratorium op uithuiszettingen dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd ingevoerd, roept hevig verzet op binnen de vrederechterlijke magistratuur. Verscheidene Brusselse vrederechters hebben de geldigheid van deze regeling in vraag gesteld, omdat zij het evenwicht zou verstoren tussen de bescherming van het recht op huisvesting en het eigendomsrecht van de verhuurders, twee fundamentele rechten die met elkaar in spanning staan.
Sinds de ordonnantie van 22 juni 2023 mag geen enkele uithuiszetting worden uitgevoerd tussen 1 november en 15 maart, behalve in vier strikt omschreven gevallen, zoals het bestaan van een herhuisvestingsoplossing, de ongeschiktheid of onveiligheid van het pand, een ernstig gevaar veroorzaakt door het gedrag van de huurder of een situatie van overmacht aan de zijde van de verhuurder. Deze maatregel beoogt onmenselijke situaties te voorkomen die zouden ontstaan wanneer een uithuiszetting tijdens de winterperiode plaatsvindt.
Ondanks deze sociale verantwoording heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State scherpe kritiek geuit, aangezien het regime een buitensporige en onevenredige aantasting van het eigendomsrecht zou vormen en geen billijk evenwicht waarborgt tussen de belangen van verhuurders en huurders.
Sommige vrederechters hebben aanvankelijk geweigerd het moratorium toe te passen wegens vermeende discriminatie ten nadele van verhuurders. Deze uitspraken werden evenwel in hoger beroep hervormd, aangezien de bevoegdheid om de grondwettigheid van ordonnanties te toetsen uitsluitend toekomt aan het Grondwettelijk Hof.
In die context hebben de vrederechters van Ukkel en Sint-Jans-Molenbeek prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van het moratorium met de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, alsook met het eigendomsrecht zoals gewaarborgd door de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarnaast werd door het Nationaal Eigenaarsverbond een beroep tot vernietiging ingesteld.
Het Grondwettelijk Hof zal moeten oordelen of een permanent moratorium, dat elke winter opnieuw van toepassing is, kan worden verantwoord zonder uitzonderlijke omstandigheden. De eerdere rechtspraak aanvaardt tijdelijke schorsingen enkel wanneer zij beperkt zijn in de tijd en gesteund worden op zware crisissituaties, zoals de Covid-19-pandemie of de energiecrisis.
In tegenstelling tot deze precedenten berust het Brusselse moratorium op een terugkerend en structureel mechanisme. De kernvraag wordt dan ook of de aantasting van het eigendomsrecht evenredig is, zonder dat een beroep kan worden gedaan op uitzonderlijkheid of hoogdringendheid van de context.
De verwachte beslissing, vermoedelijk niet vóór 2025, zal bepalend zijn voor de toekomst van het Brusselse uitzettingsbeleid en voor een duurzame verzoening tussen de bescherming van de huisvesting van de meest kwetsbaren en de fundamentele rechten van eigenaars.
Lees het commentaar in de oorspronkelijke taal: