De beschikking van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 31 maart 2021 betreft een vordering in kort geding ingesteld door de Ligue des Droits Humains en de Liga voor Mensenrechten tegen de Belgische Staat naar aanleiding van de coronamaatregelen. De vordering strekt ertoe een einde te maken aan de aantasting van fundamentele rechten en vrijheden die voortvloeien uit het ministerieel besluit van 28 oktober 2020.

De kortgedingrechter bevestigt zijn bevoegdheid om uitspraak te doen over vorderingen die gericht zijn op de bescherming van subjectieve rechten, waaronder de grondrechten verankerd in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechter kan, binnen de grenzen van spoedeisendheid en voorlopig karakter, administratieve overheden bevelen of verbieden wanneer zij kennelijk onrechtmatig handelen.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid wordt een inclusieve interpretatie van de collectieve rechtsvordering vooropgesteld. De bescherming van mensenrechten heeft noodzakelijk een collectieve dimensie, zodat elke schending ook het eigen belang raakt van verenigingen die deze rechten statutair verdedigen. LDH en LMR worden erkend als intermediaire organisaties waarvan het collectief belang zich situeert tussen individueel en algemeen belang.

Het relativiteitsbeginsel van rechterlijke beslissingen moet in dit kader soepel worden toegepast, aangezien een strikte benadering het recht op collectieve rechtsvordering zou uithollen. Wanneer fundamentele rechten van een aanzienlijk aantal vaak kwetsbare personen worden geraakt, kan de rechterlijke beslissing gevolgen hebben die verder reiken dan de formele partijen in het geding.

De rechtbank besluit dat de ingestelde rechtsvordering binnen het wettelijk kader van artikel 17, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek valt en ontvankelijk is, aangezien zij strekt tot het doen ophouden van schendingen van fundamentele rechten.

Lees de samenvatting in een andere taal: