De zaak betreft de rechtmatigheid van de interneringsbeslissing van een Belgische man die in 2015 werd aangehouden na een aanval met een mes. Na zijn voorlopige hechtenis werd bij hem paranoïde schizofrenie vastgesteld, waarbij hij als een gevaar voor zichzelf en voor de samenleving werd beschouwd, wat leidde tot zijn internering door de onderzoeksrechtbanken.
De betwisting had betrekking op het gebruik van een psychiatrisch verslag opgesteld zonder rechtstreeks onderzoek van de betrokkene, de ouderdom van een psychologisch rapport en vermeende procedurefouten, waaronder het niet oproepen van getuigen en deskundigen, het niet-openbaar karakter van bepaalde zittingen en een gebrek aan onpartijdigheid van de kamer van inbeschuldigingstelling.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de vrijheidsberoving steunde op een voldoende wettelijke grondslag. Rekening houdend met de aanhoudende weigering van de verzoeker om een psychiatrisch onderzoek te ondergaan, werd de beslissing tot internering voldoende gemotiveerd.
Het Hof stelt vast dat de procedurele waarborgen van het nationale recht werden nageleefd en besluit dat geen schending werd vastgesteld van de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Lees de samenvatting in een andere taal :