De zaak betreft de detentieomstandigheden die een gedetineerde tussen 20 mei en 21 september 2018 onderging in de gevangenis van Antwerpen. Hij verbleef er samen met twee andere personen in een vuile, vochtige en beschimmelde collectieve cel van 8,36 m², uitgerust met een toilet zonder doorspoelsysteem en twee bedden. De persoonlijke bezittingen en de hygiënische omstandigheden waren uiterst beperkt, terwijl lichamelijke activiteit en contact met de buitenwereld nagenoeg ontbraken.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens plaatst deze feiten binnen de bredere context van de structurele problemen van het Belgische gevangeniswezen, waaronder chronische overbevolking en herhaaldelijk vastgestelde tekortkomingen door het Comité ter Preventie van Foltering. Tijdens de betrokken periode bestond bovendien nog geen effectief nationaal klachtrecht voor gedetineerden.
Voor de beoordeling van artikel 3 EVRM hanteert het Hof de principes uit het arrest Muršić t. Kroatië, waarin 3 m² persoonlijke ruimte per gedetineerde in een collectieve cel als minimumnorm werd vastgelegd. Wanneer deze grens wordt onderschreden, ontstaat een weerlegbaar vermoeden van onmenselijke of vernederende behandeling.
In dit geval werd geen enkel element aangevoerd dat de ernstige tekortkomingen kon compenseren. De Belgische Staat betwistte noch de beperkte ruimte, noch het gebrek aan hygiëne, beweging en externe contacten, onder meer tijdens de personeelsstaking.
Het Hof besluit dat de detentieomstandigheden strijdig waren met artikel 3 EVRM. De aangevoerde schending van artikel 8 EVRM wordt verworpen. Wegens de geleden morele schade kent het Hof aan de verzoeker een billijke genoegdoening toe van 4.200 euro
Lees de samenvatting in een andere taal :