De heer T. D. betwist niet dat hij en zijn kompanen geen recht hebben om in het “Vredehuis” te verblijven en/of activiteiten te organiseren. Ze zijn personen die zonder recht noch titel een pand betrekken zoals bedoeld in art. 1344octies Gerechtelijk Wetboek.
Het recht waarop de heer T. D. zich beroept (op basis van een standstill-verplichting die het Grondwettelijk Hof koppelt aan artikel 23 van de Grondwet) kan niet boven het eigendomsrecht worden geplaatst en kan niet worden ingeroepen om de bezetting van het Vredehuis te bestendigen.
Het toekennen van een tijdelijk gebruiksrecht van een gebouw is een wederzijdse overeenkomst die wilsovereenstemming vereist. De vrederechter heeft niet de bevoegdheid om de Stad Gent te verplichten met iemand een overeenkomst te sluiten.
Er zijn geen uitzonderlijke, ernstige omstandigheden die een verlenging (tot 6 maanden) van de wettelijke wachttermijn (van 8 dagen volgens art. 1344decies) kunnen verantwoorden. De heer T. D. is niet gehuisvest in het Vredehuis en hij beschikt over eigen huisvesting. De uitzonderlijke, ernstige omstandigheden die een verlenging van de wachttermijn kunnen verantwoorden gaan echter verder dan alleen de problematiek van behoorlijke huisvesting en de bescherming van het gezin. De rechter kan ook oog hebben voor de sociale en maatschappelijke impact die de bezetting op de directe omgeving heeft. Er werd in dit geval niet bewezen dat de bezetting zonder recht noch titel van het Vredehuis een positieve sociale en maatschappelijke impact heeft op de directe omgeving.
Beslissing: de vrederechter verklaart de vordering van Stad Gent toelaatbaar en gegrond, en veroordeelt de heer T. D. het onroerend goed (..) te verlaten en te ontruimen binnen de acht dagen volgens de betekening van dit vonnis.
Lees de samenvatting in een andere taal: