Verbod op discriminatie op grond van sociaaleconomische achterstand: een belangrijk instrument in de strijd tegen armoede. In dit verslag onderzoekt de speciale rapporteur voor mensenrechten en extreme armoede, Olivier De Schutter, de mechanismen van discriminatie tegen mensen in armoede en hoe dit kan worden bestreden. Hij pleit voor een versterking van de antidiscriminatiekaders om discriminatie op grond van sociaaleconomische achterstand effectief te verbieden en komt tot concrete aanbevelingen.
—–
Discriminatie vormt een dagelijkse realiteit voor mensen in armoede en belemmert diepgaand de effectieve uitoefening van hun fundamentele rechten. Zij beperkt de toegang tot werk, onderwijs, huisvesting en sociale diensten, vergroot het niet-gebruik van rechten en verkleint de kansen op individuele en collectieve emancipatie. Deze discriminatie berust grotendeels op hardnekkige vooroordelen die mensen in armoede voorstellen als verantwoordelijk voor hun situatie, ongemotiveerd of niet in staat om zich te integreren, waardoor sociale stigmatisering verder wordt versterkt.
Deze negatieve beeldvorming, vaak aangeduid als “armoedefobie”, heeft een systemisch karakter. Zij beïnvloedt het overheidsbeleid, administratieve praktijken en het gedrag van private actoren. Dit vertaalt zich in nadelige beslissingen op het vlak van tewerkstelling, toegang tot huisvesting, sociaal toezicht en strafrechtsbedeling. Mensen in armoede worden zo geconfronteerd met ongelijke behandeling die hun uitsluiting bestendigt en structurele ongelijkheden verdiept.
Armoede moet worden erkend als een autonome bron van discriminatie. Hoewel zij geen vaste identiteit vormt, creëert zij een duurzaam nadeel waaruit ontsnappen bijzonder moeilijk is. De negatieve stereotypen die met armoede gepaard gaan rechtvaardigen een specifieke juridische bescherming, vergelijkbaar met die voor andere traditioneel erkende discriminatiegronden.
De bestaande juridische kaders richten zich echter hoofdzakelijk op statusgebonden gronden zoals geslacht, afkomst of handicap. Deze regelingen zijn doeltreffend in de bestrijding van zogenoemde horizontale ongelijkheden tussen groepen, maar schieten tekort om verticale ongelijkheden aan te pakken die voortvloeien uit de sociaaleconomische positie. Het ontbreken van sociaaleconomisch nadeel als expliciete beschermde grond vormt daardoor een wezenlijke leemte in de strijd tegen armoede.
Niettemin tonen verschillende rechtsstelsels aan dat deze leemte kan worden opgevuld. Wanneer de opsomming van verboden discriminatiegronden niet limitatief is, kunnen rechters armoede erkennen als een “veronderstelde” discriminatiegrond. Rechtspraak onder meer in Zuid-Afrika, Colombia, Chili en Argentinië illustreert dat beleidsmaatregelen of praktijken kunnen worden gesanctioneerd wanneer zij, wegens de economische situatie van de betrokken personen, de daadwerkelijke gelijkheid bij de toegang tot essentiële sociale rechten ondermijnen.
Het verbod op discriminatie op grond van sociaaleconomische achterstelling maakt het mogelijk om een louter minimale benadering van sociale rechten te overstijgen. Het draagt ertoe bij dat niet alleen een essentieel minimumniveau wordt gegarandeerd, maar ook dat rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend onder voorwaarden van gelijkheid en menselijke waardigheid. Het biedt rechters een krachtig instrument om de mechanismen die armoede in stand houden juridisch te doorbreken.
Een globaal antidiscriminatiekader dient dit motief dan ook expliciet te integreren. Dit vergt een herziening van regels die directe of indirecte discriminatie veroorzaken, de toepassing van het verbod op zowel overheidsinstanties als private actoren, en voldoende flexibiliteit om rekening te houden met de specifieke omstandigheden waarmee mensen in armoede worden geconfronteerd.
Positieve actie vormt daarbij een essentieel aanvullend instrument. Zij kan de cumulatieve effecten van armoede corrigeren, op voorwaarde dat zij doelgericht wordt vormgegeven en niet hoofdzakelijk ten goede komt aan de minst kwetsbaren binnen de betrokken groepen. Een intersectionele benadering is noodzakelijk om te begrijpen hoe armoede samenwerkt met andere discriminatiegronden zoals geslacht, afkomst of handicap.
Het daadwerkelijk verbieden van discriminatie op grond van sociaaleconomische achterstelling blijkt aldus een kernelement in de strijd tegen armoede. Door de waardigheid en gelijkheid van alle personen te erkennen, vormt de versterking van het non-discriminatierecht een beslissende stap naar een rechtvaardigere samenleving, gebaseerd op werkelijke gelijkheid van kansen en de effectieve verwezenlijking van de mensenrechten.
Lees het verslag in een andere taal: