De strafrechtelijke aanpak van krotverhuur vormt een essentieel instrument om het grondwettelijk recht op behoorlijke huisvesting te waarborgen. Een kwalitatieve woning impliceert minimale veiligheids-, gezondheids- en kwaliteitsvereisten, die in Vlaanderen zijn vastgelegd in de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Naast administratieve handhaving beschikt de overheid over een strafrechtelijk traject om verhuurders van verkrotte woningen te vervolgen en tegelijk het herstel van de woningkwaliteit af te dwingen.
De rechtspraak van 2021 toont hoe deze strafrechtelijke handhaving in de praktijk wordt toegepast. Het misdrijf krotverhuur bestaat uit het verhuren, te huur stellen of ter beschikking stellen van een niet-conforme of overbewoonde woning of kamer. Enkel woningen die niet door de eigenaar zelf worden bewoond vallen onder dit regime. Sinds 1 januari 2021 geldt bovendien een tolerantiemarge: enkel ernstige gebreken van categorie II of III, of gevaarlijke overbewoning, leiden nog tot strafbaarheid.
Bij de beoordeling staat de feitelijke toestand van het pand centraal. Niet de contractuele bestemming, maar het effectieve gebruik bepaalt of sprake is van bewoning. Een voorafgaande ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring is niet vereist; de aanwezigheid van ernstige gebreken volstaat. Ook inschrijving in de bevolkingsregisters of een plaatsbeschrijving zonder opmerkingen bewijst niet dat een woning conform is. Verhuurders dragen tijdens de volledige huurperiode de verantwoordelijkheid om de kwaliteit van hun pand op te volgen en tijdig herstellingen uit te voeren.
Het moreel element vereist minstens onachtzaamheid. Opzet hoeft niet bewezen te worden, al blijkt uit de rechtspraak dat vaak wordt aangenomen dat verhuurders wisten of moesten weten dat hun pand niet voldeed. Onwetendheid, taalproblemen of vermeende menslievendheid vormen geen rechtvaardiging. Ook mede-eigenaars, feitelijke verhuurders en rechtspersonen kunnen strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij betrokken zijn bij de verhuurpraktijk.
De opgelegde straffen bestaan uit gevangenisstraf en/of geldboete, eventueel verzwaard wanneer krotverhuur een gewoonte vormt. Daarnaast volgt vrijwel systematisch de verbeurdverklaring van de ontvangen huurgelden als illegaal vermogensvoordeel. Deze maatregel heeft een sterk ontnemend karakter en kan enkel worden beperkt wanneer dat noodzakelijk is om een buitensporige straf te vermijden.
Naast bestraffing speelt het herstel van de woningkwaliteit een centrale rol. Via de herstelvordering wordt de overtreder verplicht de woning opnieuw conform te maken, overbewoning te beëindigen of – wanneer herstel onmogelijk is – het pand te herbestemmen of te slopen. De herstelmaatregel dient het algemeen belang en blijft noodzakelijk zolang de onregelmatige toestand voortduurt. Enkel daadwerkelijke uitvoering, vastgesteld door de bevoegde overheid, maakt de herstelvordering zonder voorwerp.
De rechtspraak van 2021 bevestigt aldus dat de strafrechtelijke aanpak van krotverhuur niet louter repressief is, maar gericht blijft op structurele verbetering van de woningkwaliteit. Door sancties, vermogensontneming en herstelmaatregelen te combineren, wordt getracht het recht op menswaardig wonen effectief te beschermen en misbruik van kwetsbare huurders duurzaam tegen te gaan.
Lees het commentaar in een andere taal: