Deze studie tracht een overzicht te geven van de maatregelen die tijdens de gezondheidscrisis zijn genomen om invaliditeitssituaties te omkaderen.
—–
De gezondheidscrisis ten gevolge van Covid-19 heeft personen met een handicap diepgaand getroffen en heeft hun blijvende onzichtbaarheid binnen het Belgische overheidsbeleid blootgelegd. Terwijl de aandacht vrijwel volledig uitging naar woonzorgcentra, bleven de uiteenlopende realiteiten van handicap grotendeels buiten beeld, ondanks herhaalde waarschuwingen van verenigingen, adviesorganen en internationale instellingen. Deze onzichtbaarheid staat in schril contrast met de omvang van het fenomeen, aangezien handicap een brede waaier aan situaties omvat en een aanzienlijk deel van de bevolking treft.
De versnippering van de bevoegdheden in België, gecombineerd met de veelheid aan juridische definities van handicap, heeft de samenhang en leesbaarheid van de genomen maatregelen ernstig bemoeilijkt. Het ontbreken van gecentraliseerde informatie, de opeenstapeling van omzendbrieven en de onduidelijkheid over hun juridische status maakten de toegang tot het recht bijzonder moeilijk voor de betrokken personen, hun naasten en de professionelen. Deze complexiteit heeft de reeds bestaande ongelijkheden tussen personen met een handicap en de rest van de bevolking verder versterkt.
Collectieve woonvoorzieningen bleken bijzonder kwetsbaar voor het virus. Minder gemedicaliseerd dan woonzorgcentra werden zij geconfronteerd met een tekort aan beschermingsmateriaal, personeel en testcapaciteit. Tijdens de eerste golf werden bewoners onderworpen aan uiterst strenge beperkingen: een verbod op bezoeken, de opschorting van activiteiten, isolatie in afgesloten leefeenheden, een drastische beperking van niet-dringende zorg en het verbod op terugkeer naar de familie. Deze maatregelen hebben zwaar ingegrepen op de fundamentele rechten, waaronder het recht op privéleven, bewegingsvrijheid, sociale contacten en psychisch welzijn.
Gaandeweg trad een voorzichtige versoepeling op, met een gedeeltelijke herneming van bezoeken, activiteiten en zorg, evenals een groeiend besef van de schadelijke gevolgen van sociaal isolement. De concrete toepassing van de regels bleef echter sterk verschillen per instelling, waarbij de ruime beoordelingsmarge van directies soms leidde tot langdurige overconfinering. De Vlaamse Gemeenschap onderscheidde zich door een sterker juridisch kader, een grotere vooruitziendheid en een expliciete erkenning van het bezoekrecht van personen met een handicap.
De crisis heeft tevens de spanningen blootgelegd tussen gezondheidsbescherming en individuele autonomie. Personen met een handicap die thuis woonden, werden vaak geconfronteerd met een plotse stopzetting van ondersteunings-, respijt-, begeleidings- en thuiszorgdiensten. Mantelzorgers kregen te maken met een zware overbelasting, vaak zonder voldoende ondersteuning of alternatieven. Tal van oplossingen berustten op de creativiteit van het verenigingsleven eerder dan op een gecoördineerd overheidsbeleid.
Ook de toegang tot ziekenhuiszorg gaf aanleiding tot ernstige bezorgdheden. De discussies rond patiëntentriage, de risico’s op discriminatie op grond van handicap en de ontoereikende aandacht voor specifieke noden deden de vrees herleven voor een hiërarchisering van mensenlevens die onverenigbaar is met het recht op gelijkheid en menselijke waardigheid.
Uit de analyse van regelgeving en praktijk blijkt dat de crisis minder een breuk vormde dan een versterkende factor van reeds bestaande structurele tekortkomingen. Zij heeft ongelijkheden verdiept, de effectieve bescherming van grondrechten onder druk gezet en de blijvende afhankelijkheid van een institutioneel zorgmodel blootgelegd. In dit licht dringt deinstitutionalisering zich op als een onontkoombare horizon, niet als een abstract ideaal maar als een noodzaak die door de pandemie scherper werd gesteld.
Het denken in individuele situaties, het erkennen van de diversiteit aan ervaringen, het versterken van de participatie van personen met een handicap in beslissingen die hen aanbelangen en het waarborgen van daadwerkelijke toegankelijkheid van het recht vormen essentiële lessen. De gezondheidscrisis noodzaakt tot een fundamentele hertekening van het handicapbeleid, met als doel bescherming, autonomie en inclusie duurzaam te verzoenen in het volle respect voor de grondrechten.
Lees het volledige commentaar in de oorspronkelijke taal: