Sinds 1994 verleent een vzw sociale hulp aan moeders in een precaire situatie met jonge kinderen die moeilijk toegang hebben tot de klassieke sociale dienstverlening. Deze hulp omvat onder meer een cafetaria, een babyrestaurant, een verzorgingsruimte en diverse diensten die plaatsvinden in een gemeenschappelijke leefruimte. Bij de inschrijving moeten de moeders een huishoudelijk reglement aanvaarden dat het dragen van een hoofddoek in deze ruimte verbiedt. Wie weigert de hoofddoek af te nemen, wordt verplicht te wachten in een aparte ruimte, ook al kan zij in theorie dezelfde hulp ontvangen.

UNIA stelde bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen een vordering in en voerde aan dat deze regel strijdig is met de antidiscriminatiewetgeving en het Vlaamse gelijkekansendecreet. De rechtbank oordeelt dat de activiteit van de vereniging een sociale dienstverlening betreft die voor het publiek toegankelijk is en daarom volledig onder het discriminatierecht valt.

Zij stelt een directe discriminatie op grond van godsdienst vast, aangezien het verbod uitdrukkelijk betrekking heeft op de hoofddoek en niet op hoofddeksels in het algemeen, wat duidelijk verwijst naar de islamitische hoofddoek. Moeders, vrijwilligers en begeleidsters die een hoofddoek dragen, worden minder gunstig behandeld dan anderen, onder meer door hun uitsluiting uit de centrale ruimte waar de essentiële activiteiten plaatsvinden.

De rechtbank verwerpt evenwel het bestaan van intersectionele discriminatie of discriminatie door associatie. Er bestaat geen objectieve rechtvaardiging of legitiem doel voor dit onderscheid, dat islamofobe gevoeligheden verkiest boven inclusie. De rechter beveelt de stopzetting van de discriminatie en koppelt hieraan een dwangsom van 500 euro per vastgestelde overtreding.

Lees de samenvatting in een andere taal: