Het arrest Lacatus t. Zwitserland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens markeert een fundamentele kentering door bedelen voor het eerst als een mensenrecht te erkennen. Het Hof oordeelt dat het bestraffen van bedelarij een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven, beschermd door artikel 8 EVRM. Bedelen valt onder de persoonlijke autonomie en houdt rechtstreeks verband met de menselijke waardigheid van personen die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken. Het recht om anderen om hulp te vragen vormt voor hen een essentieel onderdeel van hun overlevingsstrategie.
Deze erkenning sluit aan bij een bredere internationale evolutie waarin mensenrechteninstanties steeds nadrukkelijker kritiek uiten op de criminalisering van armoede. Zowel op VN-niveau als binnen regionale mensenrechtenorganen bestaat een groeiende consensus dat het bestraffen van gedragingen die noodzakelijk zijn om te overleven, zoals bedelen, onverenigbaar is met een mensenrechtenbenadering van armoede. Dergelijke maatregelen leiden tot stigmatisering, vergroten de kwetsbaarheid van betrokkenen en geven politiediensten een buitensporige discretionaire macht.
Het Hof benadrukt dat beperkingen van grondrechten enkel toelaatbaar zijn indien zij wettelijk zijn voorzien, een legitiem doel nastreven en proportioneel zijn. Hoewel de bescherming van de openbare orde in theorie een rechtvaardiging kan vormen, faalt een algemeen bedelverbod omdat het geen ruimte laat voor een concrete belangenafweging. Het verbod houdt geen rekening met de kwetsbaarheid van de betrokkene, het al dan niet agressieve karakter van het bedelen, de plaats waar dit gebeurt of de mogelijke afwezigheid van criminele netwerken.
De appreciatiemarge van staten is in deze context beperkt, aangezien het gaat om gedragingen die nauw samenhangen met het recht om in het levensonderhoud te voorzien. Slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen een sanctie verantwoorden. In de zaak zelf bevond de verzoekster zich in extreme armoede, had zij geen toegang tot sociale bijstand en was bedelen haar enige bestaansmiddel. Haar vrijheidsberoving kon niet worden gerechtvaardigd door abstracte doelstellingen inzake ordehandhaving.
Argumenten zoals de bestrijding van mensenhandel, de bescherming van passanten of het vrijwaren van het toeristisch imago van steden worden verworpen. Het verminderen van de zichtbaarheid van armoede vormt geen legitiem doel om mensenrechten te beperken. Minder ingrijpende maatregelen, zoals het reguleren van agressieve of opdringerige vormen van bedelarij, zijn wel mogelijk en beter verenigbaar met het proportionaliteitsbeginsel.
Het arrest heeft belangrijke gevolgen voor België, waar verschillende gemeenten nog steeds algemene of verregaande bedelverboden hanteren via politiereglementen. Dergelijke verboden blijken moeilijk verzoenbaar met het EVRM, terwijl ook gerichte verboden slechts toelaatbaar zijn indien zij in de praktijk proportioneel en contextueel worden toegepast.
Daarnaast onderstreept het arrest het normatieve potentieel van persoonlijke autonomie en menselijke waardigheid voor de bescherming van de rechten van personen in armoede. Personen in armoede worden erkend als autonome rechtssubjecten die eigen keuzes maken, niet als objecten van controle of paternalisme. Deze op waarden gebaseerde benadering opent perspectieven voor een ruimere mensenrechtelijke bescherming, waarbij staten niet alleen moeten afzien van repressieve maatregelen, maar ook actief moeten bijdragen aan de daadwerkelijke verwezenlijking van de grondrechten van de meest kwetsbaren.
Lees het commentaar in een andere taal :