Onlangs heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een interessant arrest gewezen inzake de sociale bijstand die wordt toegekend aan vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven.

In het verlengde van het arrest Abdida (C-562/13) oordeelt het Hof dat een onderdaan van een derde land die illegaal verblijft en ouder is van een meerderjarig, ernstig ziek kind dat zich eveneens illegaal op het grondgebied bevindt en volledig afhankelijk is van zijn ouder, van rechtswege moet beschikken over een schorsend beroep tegen het terugkeerbesluit dat hem treft. Dit dient ertoe de doeltreffendheid te waarborgen van de aan het kind toegekende bescherming tegen verwijdering: aangezien het kind wegens zijn gezondheidstoestand bescherming geniet tegen verwijdering, waardoor elke terugkeer naar het land van herkomst onmogelijk wordt, moet deze bescherming, om effectief te zijn, worden uitgebreid tot de ouder van wie het kind afhankelijk is, ook al lijdt deze ouder zelf niet aan een ernstige ziekte die zijn verwijdering verhindert.

Het Hof besluit dan ook dat de ouder eveneens moet kunnen genieten van de « waarborgen in afwachting van terugkeer » zoals bedoeld in richtlijn 2008/115, die inhouden dat, voor zover mogelijk, wordt voorzien in de dekking van zijn basisbehoeften wanneer hij beroep heeft ingesteld tegen een ten aanzien van hem en namens zijn kind genomen terugkeerbesluit. Het Hof preciseert evenwel dat het aan de lidstaten toekomt om de vorm van deze bijstand te bepalen. Het is niet uitgesloten dat een lidstaat voorziet in een sociale bijstand die rechtstreeks aan het meerderjarige kind wordt toegekend, op voorwaarde dat deze bijstand (ook) toelaat in de basisbehoeften van de ouder te voorzien.

Dit arrest verdient de aandacht van de OCMW’s in ons land, evenals van de verdedigers van de grondrechten van vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven.

Veel leesplezier!

Lees de samenvatting in een andere taal :