In het kader van de overgang naar persoonsvolgende financiering zette het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap de bestaande ondersteuning van een zorggebruiker om in een persoonsvolgend budget vanaf 2017. Dit budget werd aanvankelijk licht verhoogd, maar zou vervolgens vanaf 2020 geleidelijk worden verminderd tot een lager niveau in 2027 .
Het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, oordeelde dat het Transitiebesluit 2018, zoals gewijzigd in 2019, leidde tot een aanzienlijke achteruitgang van het eerder geboden beschermingsniveau voor personen met een handicap. Op die basis werd geoordeeld dat het besluit strijdig was met het standstill-beginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet.
Tegen dit arrest werd cassatieberoep ingesteld door de Vlaamse Gemeenschap en het bevoegde agentschap. Daarbij werd benadrukt dat het standstill-beginsel verhindert dat de wetgever of de regelgevende overheid het niveau van sociale bescherming aanzienlijk verlaagt zonder redenen van algemeen belang. Deze verplichting geldt voor alle domeinen van sociale zekerheid en sociale bijstand, met inbegrip van tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
Bij de beoordeling van een mogelijke schending van het standstill-beginsel is vereist dat het beschermingsniveau van de nieuwe regelgeving wordt vergeleken met dat van de eerder geldende regelgeving. Het arbeidshof baseerde zich echter uitsluitend op een vergelijking tussen opeenvolgende individuele beslissingen binnen verschillende transitieregelingen.
Een dergelijke benadering volstaat niet om een aanzienlijke vermindering van bescherming vast te stellen. Bij gebrek aan een vergelijking tussen de betrokken rechtsnormen werd het arrest niet naar recht verantwoord.
Het Hof van Cassatie vernietigt daarom het bestreden arrest en verduidelijkt de correcte beoordelingsmethode voor de toepassing van het standstill-beginsel.
Lees de samenvatting in een andere taal: