Deze beslissing betreft het uitvoeren van een buitenlands vermogensonderzoek in het kader van sociale huisvesting. Via een privéonderneming kon de sociale huisvestingsmaatschappij achterhalen dat de klagers eigenaars waren van één of meerdere onroerende eigendommen in Turkije. De klagers meenden dat hun rechten inzake gegevensbescherming niet werden gerespecteerd omdat zij geen toestemming hadden gegeven voor dit buitenlands vermogensonderzoek.
De beslissing heeft betrekking op de rechtmatigheid van een dergelijk buitenlands vermogensonderzoek in het kader van sociale huur door een sociale huisvestingsmaatschappij. De verweerder beroept zich op het artikel 6.1.e) Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) met betrekking tot de noodzakelijkheid voor de vervulling van een taak van algemeen belang. De toestemming van de klagers was derhalve niet vereist opdat de verwerking rechtmatig zou zijn. De Geschillenkamer oordeelde dat het buitenlands vermogensonderzoek rechtmatig heeft plaatsgevonden. Bijgevolg stelde de Geschillenkamer geen inbreuk van artikel 5.1.a) met betrekking tot de principes van “rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie” en artikel 6.1.e) AVG.
Lees de samenvatting in een andere taal: