Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 juni 2025 (nr. 4581/16, B.T. & B.K.Cs. / Hongarije) betreft een schending van artikel 8 EVRM dat de bescherming van het gezinsleven waarborgt. B.T. bevalt in 2014 van een zoontje dat onmiddellijk door de autoriteiten wordt weggehaald en in een pleeggezin wordt geplaatst. Omdat zij van mening is dat haar kind ten onrechte is weggehaald, stelt zij beroep in bij alle bevoegde Hongaarse rechtbanken, alvorens de zaak uiteindelijk aanhangig te maken bij het Europees Hof.

Het Hof stelde inderdaad een schending van artikel 8 EVRM vast en gaf B.T. gelijk, met name vanwege de zeer precaire situatie waarin zij leefde. Volgens het Hof is het weghalen van een pasgeborene een uiterst ingrijpende maatregel waarvoor uitzonderlijke redenen nodig zijn. De autoriteiten voerden verschillende argumenten aan: B.T. had in 2010 vijf andere kinderen die uit huis waren geplaatst wegens gebrek aan onderwijs en voldoende medische zorg, zij bleef tijdens haar zwangerschap roken en woonde de verplichte prenatale consulten niet bij.

Hoewel deze redenen op zich relevant zijn, is het Hof van oordeel dat ze niet de werkelijke situatie weerspiegelden: de autoriteiten hadden een te oppervlakkige analyse gemaakt, waarbij zij zich grotendeels baseerden op oude gegevens en de recentere positieve ontwikkelingen buiten beschouwing lieten. Deze verbeteringen hadden er trouwens toe geleid dat haar dochter in 2013 uit de pleegzorg was gehaald en naar het ouderlijk huis kon terugkeren. Bovendien waren er geen aanwijzingen dat de pasgeborene in direct gevaar verkeerde.

Een bijzonder opvallend element in de redenering betreft de sociale rol van de staat: het Hof benadrukt het belang van sociale bijstand en stelt vast dat B.T. onvoldoende steun heeft gekregen. Op grond van deze en andere redenen, zoals procedurele onregelmatigheden, concludeert het Hof dat de rechten van B.T. op grond van artikel 8 EVRM zijn geschonden.

Het weghalen van een kind bij zijn ouders is een van de meest ingrijpende maatregelen die een staat kan nemen. Een staat mag hier niet lichtvaardig toe overgaan, maar moet met de grootste voorzichtigheid te werk gaan. Een fundamenteel beginsel dat in deze zaak naar voren komt, is dat armoede geen reden kan zijn om een kind uit huis te plaatsen. Het feit dat een kind in een gunstigere omgeving zou kunnen leven, is onvoldoende om het bij zijn familie weg te halen. Precaire omstandigheden kunnen worden verbeterd door minder ingrijpende maatregelen, zoals gerichte financiële steun of sociale begeleiding. Het Hof benadrukt het belang van sociale diensten, die juist tot taak hebben mensen in moeilijkheden te helpen, hen te begeleiden en hen te informeren over sociale uitkeringen, sociale huisvesting of andere middelen om hun problemen te overwinnen.

Lees de samenvatting in een andere taal :