In de zaak Dian heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een eerdere uitspraak, Lăcătuş, herzien. In dat laatste arrest bepaalde het Hof dat “bedelen, als een vorm van het recht om hulp van anderen te vragen, duidelijk als een fundamentele vrijheid moet worden beschouwd” . Echter, in Dian oordeelde het Hof dat de verzoeker, een Roemeense burger die twintig dagen gevangen zat voor bedelen in Denemarken, niet “arm genoeg” was om het verbod op bedelen aan te vechten op basis van de rechten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Het Hof verklaarde de zaak niet-ontvankelijk en paste het ontvankelijkheidscriterium van Lăcătuş verkeerd toe. Dit leidde tot een verdraaiing van zijn eigen principes. Het Hof handhaafde het onzinnig verzinsel over het onderscheid tussen “echte verdienstelijke armen” en “onechte onverdienstelijke armen” en nam een paternalistische houding aan over hoe mensen in armoede hun geld zouden moeten verdienen en uitgeven. Bovendien negeerde het Hof de context van vrij verkeer binnen de EU, waar mobiele burgers die bedelen in een juridisch vacuüm terechtkomen.

Kortom, het Hof legitimeerde de criminalisering van armoede en de praktijk van “verschil in opsluiting”.

Lees het commentaar in de oorspronkelijke taal: