Het Arbeidshof van Brussel veroordeelt Fedasil tot een boete van 2.500 euro wegens manifest procesrechtsmisbruik. Het gaat hier om een verzoeker om internationale bescherming (VIB) die geen opvang kreeg. De VIB verkreeg de veroordeling van Fedasil tot een geldboete wegens procesrechtsmisbruik van de arbeidsrechtbank van Brussel, maar Fedasil ging hiertegen in hoger beroep. Fedasil beriep zich op het fundamenteel recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM). Door de verzadiging van het opvangnetwerk is het volgens haar niet mogelijk om opvang voor iedere VIB te voorzien.

Het Arbeidshof meent echter dat er geen sprake is van overmacht en dat Fedasil in gebreke blijft de Opvangwet correct toe te passen. Door niet in de gepaste opvang te voorzien dwong Fedasil de VIB ertoe gerechtelijke stappen te zetten terwijl hij dat eigenlijk niet zou moeten doen omdat zijn recht op opvang vaststaat.

De kern van het arrest is dat Fedasil wordt veroordeeld omdat het misbruik heeft gemaakt van het recht in art. 6 EVRM. Dit is geen absoluut recht. Het kan beperkt worden als er een legitiem doel is en de beperking proportioneel is. Het Arbeidshof acht de inperking gerechtvaardigd. Het doel van de sanctie voorzien in 780bis, alinea 1, van het Gerechtelijk Wetboek, is legitiem en de maatregel strekt niet verder dan strikt noodzakelijk is. Het Arbeidshof besluit dat Fedasil de werking van het gerechtelijk apparaat verstoort en manifest misbruik maakt van het procesrecht door de VIB te dwingen een procedure in te stellen om opvang te krijgen. Het Arbeidshof bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank.

Lees de samenvatting in een andere taal: