Deze bijdrage bespreekt het doctoraatsonderzoek van Margot Van Leuvenhaege dat zij in december 2020 verdedigde in volle coronatijd aan de Universiteit van Antwerpen onder het promotorschap van Prof. Em. Dr. Bernard Hubeau. De toegankelijkheid van het sociaalbijstandsrecht voor de kwetsbare burger luidt de titel van haar onderzoek.
——–
De toegankelijkheid van het sociaalbijstandsrecht vormt een cruciale voorwaarde voor de verwezenlijking van het grondrecht op een menswaardig leven. In de praktijk blijkt dit recht echter bijzonder moeilijk bereikbaar voor kwetsbare burgers die een beroep doen op het OCMW. Het sociaalbijstandsrecht is juridisch complex, sterk geformaliseerd en voortdurend in beweging, waardoor het voor veel burgers onbegrijpelijk wordt en zijn beschermende functie verliest.
Kwetsbaarheid overstijgt het louter financiële aspect van armoede en omvat ook psychologische, sociale, lichamelijke en structurele dimensies. Mensen in precaire leefsituaties worden geconfronteerd met stress, onzekerheid, uitsluiting en een beperkte draagkracht om met administratieve verplichtingen om te gaan. Deze kwetsbaarheid beïnvloedt rechtstreeks hun relatie met maatschappelijke instellingen en in het bijzonder met het OCMW.
De toegang tot het sociaalbijstandsrecht moet worden begrepen binnen het bredere concept van access to justice. Dit recht beperkt zich niet tot formele toegang tot de rechtbank, maar vereist dat burgers daadwerkelijk in staat zijn hun rechten te begrijpen, uit te oefenen en te realiseren. Rechtvaardigheid veronderstelt daarbij niet alleen gelijke regels, maar ook aandacht voor materiële gelijkheid en sociale rechtvaardigheid.
Uit een analyse van rechtspraak blijkt dat slechts een beperkt deel van de kwetsbare burgers effectief de weg naar de rechtbank vindt. De geschillen hebben voornamelijk betrekking op het leefloon en het equivalent leefloon. Talrijke andere problemen, zoals het referentieadres of de terugvordering van steun, blijven vaak onder de radar.
Vijf structurele knelpunten keren steeds terug. Beslissingen van het OCMW zijn vaak onvoldoende gemotiveerd, waardoor burgers niet begrijpen waarom steun wordt geweigerd. Het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie wordt regelmatig ervaren als een sanctionerend instrument in plaats van een begeleidend traject. Bewijsvoering vormt een bijzonder zware drempel, vooral bij het aantonen van behoeftigheid en werkbereidheid. Ook de procedure rond dringende medische hulp is onduidelijk en moeilijk toegankelijk. Ten slotte leiden problemen bij onthaal en communicatie tot angst, misverstanden en afhaken van hulpvragers.
Deze knelpunten kunnen niet los worden gezien van de bredere kloof tussen burger en samenleving. Het klovenmodel maakt zichtbaar hoe gevoelsmatige, kennis-, structurele en participatiekloof elkaar versterken. Mensen in armoede beschikken vaak niet over de nodige informatie, vaardigheden of sociale ruimte om correct aan administratieve verwachtingen te voldoen.
Financiële redenen, externe omstandigheden en persoonlijke factoren verklaren waarom burgers vaak onvolledige of foutieve informatie aanleveren. Overlevingsstrategieën zoals informele solidariteit, samenwonen of occasioneel zwartwerk worden dan geïnterpreteerd als fraude, terwijl zij voortkomen uit structurele tekorten.
De spanning tussen formele gelijkheid en materiële rechtvaardigheid ondermijnt de effectiviteit van het sociaalbijstandsrecht. Identieke procedures voor iedereen houden onvoldoende rekening met de fundamentele verschillen tussen burgers, waardoor kwetsbare personen hun rechten niet kunnen effectueren.
Sociaal werk speelt hierin een sleutelrol. De maatschappelijk werker bevindt zich op het kruispunt van leefwereld en systeemwereld en beschikt over een belangrijke discretionaire ruimte. De manier waarop deze ruimte wordt ingevuld bepaalt in sterke mate of het recht voor de burger begrijpelijk en toegankelijk wordt.
De onbegrijpelijkheid van het OCMW-recht vormt het centrale probleem aan zowel vraag- als aanbodzijde. Onduidelijke regelgeving, complexe terminologie, versnipperde informatie en gebrekkige communicatie maken dat burgers zich machteloos voelen en afhaken. Ook sociaal werkers ervaren moeilijkheden bij het vertalen van juridische normen naar maatwerk.
Een meer holistische benadering dringt zich op. Toegankelijkheid vereist niet alleen juridische vereenvoudiging, maar ook laagdrempelige dienstverlening, duidelijke taal, voldoende tijd, persoonlijke begeleiding en participatie van ervaringsdeskundigen. Preventie, samenwerking tussen diensten en het geïntegreerd breed onthaal vormen daarbij essentiële bouwstenen.
Een begrijpelijk sociaalbijstandsrecht vraagt uiteindelijk om een evenwicht tussen regels en zorg, tussen efficiëntie en menselijkheid. Alleen door structurele aandacht voor kwetsbaarheid, participatie en materiële gelijkheid kan het recht opnieuw zijn fundamentele opdracht vervullen: iedereen in staat stellen een menswaardig leven te leiden.
Lees het commentaar in een andere taal :