In het kader van de COVID-19-pandemie nam de federale regering verschillende maatregelen ter ondersteuning van de koopkracht, waaronder de toekenning van een tijdelijke premie van 50 euro aan gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen. Deze maatregel was bedoeld om de meest kwetsbare personen te beschermen tegen de economische gevolgen van de gezondheidscrisis.

Twee verenigingen die armoedebestrijding tot doel hebben, vorderden in kort geding dat deze premie tijdelijk zou worden uitgebreid tot andere categorieën van personen. Zij vroegen onder meer om de verhoging van verschillende vervangingsinkomens tot het niveau van het leefloon vermeerderd met 50 euro, om een compensatie voor werknemers met zeer lage inkomens en om de indiening van een wetsontwerp dat deze aanpassingen mogelijk zou maken.

De rechtbank erkent het hoogdringende karakter van de zaak, aangezien het ontbreken van de premie voor bepaalde groepen het risico inhield dat gezinnen met een precair evenwicht snel in armoede zouden terechtkomen. Zij plaatst het geschil evenwel binnen het kader van de bijzondere machten die aan de uitvoerende macht waren toegekend en die gericht waren op de bescherming van het grondwettelijk recht op een menswaardig leven.

Zelfs indien dit grondrecht zou zijn aangetast, kan de rechterlijke macht zich niet in de plaats stellen van de beleidsvrijheid van de uitvoerende macht zonder het beginsel van de scheiding der machten te schenden. De toetsing door de kortgedingrechter beperkt zich bijgevolg tot het nagaan of sprake is van een kennelijke onwettigheid.

De onderscheiden behandeling tussen begunstigden van sociale bijstand en personen die onder de sociale verzekering vallen, berust op een objectief verschil. De keuze om de premie uitsluitend toe te kennen aan personen die reeds vóór de crisis afhankelijk waren van sociale bijstand, wordt beschouwd als relevant en proportioneel. Deze doelgroep werd terecht aangemerkt als bijzonder kwetsbaar.

Aangezien geen kennelijke beoordelingsfout werd vastgesteld, besluit de rechtbank dat geen sprake is van verboden discriminatie of schending van het recht op menselijke waardigheid. De vorderingen van de verenigingen worden daarom ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Lees de samenvatting in een andere taal :