De sociale huisvestingsmaatschappij (WoninGent) en de provincie zijn eigenaars van een gebouwencomplex en een klooster waarin een tijdlang sociale woongelegenheden werden verhuurd. De panden voldoen niet langer aan de woningkwaliteitsnormen en staan intussen leeg. De eigenaars wensen de panden te verkopen. Activisten, geruggesteund door een aantal verenigingen die zich inzetten voor de sociaal-zwakkere burgers, bezetten de panden uit beleidsmatige overtuigingen. Zij streven een sociaal woonbeleid na en verzetten zich tegen de vermarkting van de vastgoedsector. Zij eisen gratis huisvesting in de leegstaande panden tot wanneer daaraan een nieuwe bestemming wordt gegeven. De eigenaars eisen de veroordeling van de bezetters tot het ontruimen van de gebouwen. De vrederechter gaat niet in op het verzoek van de bezetters om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof waarin zij hun bezetting in het kader van een collectieve en sociale actie vergelijken met de bedrijfsbezetting in het kader van een vakbondsactie. De vrederechter verwerpt de vergelijkbaarheid van die bezettingen. De vrederechter stelt vervolgens vast dat de bezetters geen enkel wettelijk of conventioneel recht voor hun bezetting van de eigendommen van de eisers kunnen laten gelden. Er is geen recht op kraken en enig gebruiksrecht wordt niet aangetoond. Het is niet aan de vrederechter zich uit te spreken over de politieke visie van de bezetters en hun verenigingen, maar wel om democratisch tot stand gekomen regelgeving toe te passen. Het staat niemand vrij om aan eigenrichting te doen. De bezetters vragen eigenlijk de vrederechter om hen een vrijgeleide te geven om een voortdurend misdrijf te begaan. De vrederechter besluit tot de gevorderde ontruiming en uithuiszetting.
Lees de samenvatting in een andere taal :