De reactie van de regeringen op de Covid-19-pandemie was in twee opzichten opmerkelijk. Ten eerste hebben zij, om levens te redden, een deel van de economie gedurende vele maanden in een kunstmatige coma gebracht: voor de eerste maal in vredestijd werden hun acties geleid door andere prioriteiten dan het streven naar groei. Toen deze maatregelen vervolgens leidden tot de ergste recessie sinds de Grote Depressie van 1929, injecteerden zij aanzienlijke bedragen in de economie (wereldwijd bijna 16.000 miljard dollar) om bedrijven in moeilijkheden te ondersteunen, de sociale bescherming te versterken of infrastructuur te ontwikkelen om de terugkeer naar groei te versnellen. De overheidstekorten zijn geëxplodeerd, maar ook hier zijn begrotingsoverwegingen terzijde geschoven om de zwaarst getroffen huishoudens en economische actoren te steunen. Grote taboes zijn doorbroken. Een nieuw paradigma krijgt vorm, op een geïmproviseerde manier.

Deze terugkeer van de Staat in de economie is een belangrijk feit. Daaruit blijkt dat wij lering hebben getrokken uit de fouten die zijn gemaakt in de nasleep van de grote financiële crisis van 2008-2020, toen in allerijl bezuinigingsplannen werden opgelegd om de explosie van de overheidsschulden na de redding van de banken te compenseren, met alle verwoestende procyclische gevolgen van dien. Maar de vergelijking waar we voor staan is veel complexer, en is geenszins een debat tussen “herstel aan de vraagzijde” enerzijds en “budgettaire verantwoordelijkheid” anderzijds. Want terwijl wij debatteren over de uitweg uit de economische crisis, breidt de ecologische crisis zich uit: de biodiversiteit gaat sneller achteruit dan ooit in de geschiedenis van de mensheid; de uitstoot van broeikasgassen blijft wereldwijd stijgen, terwijl wij tegen 2050 koolstofneutraliteit moeten bereiken als wij de ergste gevolgen van de klimaatverandering willen vermijden; de bodem gaat achteruit en is steeds minder in staat te fungeren als koolstofput en als reservoir van biodiversiteit.

Als we op koers willen blijven voor de langetermijndoelstelling om duurzame, veerkrachtige en inclusieve economieën tot stand te brengen die niet alleen de armoede kunnen uitbannen maar ook binnen de planetaire grenzen kunnen blijven, kan het eenvoudige streven naar groei niet het antwoord zijn. Improviseren volstaat niet meer: er moet een nieuw ontwikkelingsmodel worden uitgevonden, een model dat armoedebestrijding en milieubescherming niet langer afhankelijk maakt van het scheppen van monetaire rijkdom. De combinatie van deze doelstellingen — armoedebestrijding enerzijds en versnelling van de overgang naar biodiversiteitsvriendelijke en koolstofarme samenlevingen anderzijds — staat centraal in de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, die de vertaling zijn van de 2030-agenda voor duurzame ontwikkeling.

Lees het volledige commentaar in de oorspronkelijke taal: