Het recht op sociale bijstand voor niet-beroepsactieve EU-burgers vormt al jarenlang een spanningsveld tussen het vrij verkeer van personen en de autonomie van lidstaten om hun sociale stelsels te beschermen. De verblijfsrichtlijn concretiseert het EU-burgerschap en het beginsel van gelijke behandeling, maar laat toe dat lidstaten de toegang tot sociale bijstand beperken voor economisch niet-actieve EU-burgers die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken. Hierdoor ontstaat een fundamentele spanning tussen sociale solidariteit en budgettaire verantwoordelijkheid.

De rechtspraak van het Hof van Justitie heeft deze spanning de afgelopen jaren verscherpt. Door een strikte interpretatie van de verblijfsrichtlijn wordt het recht op sociale bijstand afhankelijk gemaakt van het verblijfsrecht, terwijl dat verblijfsrecht zelf afhankelijk is van het ontbreken van een beroep op sociale bijstand. Deze vicieuze cirkel heeft geleid tot situaties waarin EU-burgers wel op het grondgebied worden getolereerd, maar geen toegang hebben tot sociale rechten en geen bestaansminimum kunnen garanderen.

In de zaak CG tegen het Department for Communities in Northern Ireland stond een niet-beroepsactieve EU-burger met jonge kinderen centraal, die op basis van nationaal recht een tijdelijk verblijfsrecht had verkregen maar geen toegang kreeg tot sociale bijstand. Het Hof bevestigt dat de verblijfsrichtlijn geen onvoorwaardelijk recht op sociale bijstand verleent en dat lidstaten economisch niet-actieve EU-burgers mogen uitsluiten wanneer zij niet voldoen aan de bestaansmiddelenvoorwaarde. De eerdere rechtspraak, met name Dano en Alimanovic, blijft daarmee overeind.

Tegelijk formuleert het Hof een belangrijke nuance. Wanneer een lidstaat een gunstiger verblijfsregeling toekent op basis van nationaal recht, geeft hij uitvoering aan het EU-burgerschap. In dat geval is het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing. Hieruit volgt dat een weigering van sociale bijstand niet mag leiden tot een concreet en reëel risico op schending van fundamentele rechten, in het bijzonder het recht op menselijke waardigheid. Ook het recht op eerbiediging van het gezinsleven en de bescherming van kinderen spelen hierbij een centrale rol.

De nationale autoriteiten moeten daarom in elk individueel geval nagaan of de betrokken EU-burger en diens gezinsleden in menswaardige omstandigheden kunnen leven. Een automatische uitsluiting van sociale bijstand is onverenigbaar met deze ondergrens. De beoordeling moet rekening houden met alle beschikbare vormen van sociale ondersteuning waarop daadwerkelijk en onmiddellijk een beroep kan worden gedaan.

Het arrest introduceert aldus een minimale grondrechtelijke ondergrens in situaties waarin EU-burgers verblijven op basis van een nationale, gunstigere regeling. Tegelijk blijft de reikwijdte van deze bescherming onzeker. Het Hof past deze grondrechtentoets niet expliciet toe op situaties die volledig onder de verblijfsrichtlijn vallen, waardoor een groep EU-burgers zonder effectieve sociale bescherming dreigt te blijven bestaan.

Hoewel het arrest een belangrijke erkenning inhoudt van menselijke waardigheid als ultieme grens, blijft de rol van sociale grondrechten beperkt. Het recht op sociale bijstand wordt niet expliciet erkend als afdwingbaar grondrecht, waardoor structurele onzekerheid blijft bestaan. De zaak CG benadrukt daarmee zowel de noodzaak als de tekortkomingen van het huidige Europese kader en toont aan dat verdere coördinatie en hervorming van de verblijfsrichtlijn noodzakelijk blijven om het EU-burgerschap zijn volle betekenis te geven.

Lees het commentaar in een andere taal :