De zaak betreft de strafrechtelijke vervolging van een verhuurster wegens het verhuren van drie woningen die niet voldeden aan de minimale woonkwaliteitsvereisten van de Vlaamse Wooncode. De vastgestelde gebreken waren structureel en bestonden reeds vóór de verhuur. Woningen moeten aan alle opgelegde normen beantwoorden alvorens zij op de huurmarkt worden aangeboden, zodat de verantwoordelijkheid hiervoor niet op de huurders kan worden afgewenteld.

Bij de beoordeling van de strafbare feiten werd benadrukt dat de Vlaamse Wooncode uitvoering geeft aan het fundamenteel recht op menswaardig wonen. Van personen die met winstoogmerk woningen verhuren mag worden verwacht dat zij de nodige investeringen doen om de kwaliteitsnormen strikt na te leven. Het niet respecteren van deze verplichtingen tast het recht op behoorlijke huisvesting aan, brengt mogelijk mensenlevens in gevaar en schaadt de gezondheid van huurders, die zich vaak in een maatschappelijk kwetsbare positie bevinden.

De feiten werden als bijzonder laakbaar beoordeeld omdat de verhuurster misbruik maakte van die kwetsbaarheid, geen enkele bekommernis toonde voor de woonsituatie van de huurders en hen zelfs verantwoordelijk stelde voor de slechte staat van de woningen. Het verhuren van ongeschikte en onbewoonbare panden bleek een terugkerende praktijk te zijn geworden.

De eerste rechter veroordeelde de beklaagde tot een geldboete van 5.000 euro en tot betaling van schadevergoedingen aan de huurders die zich burgerlijke partij hadden gesteld. In hoger beroep werd de schuld niet meer betwist en beperkte het geschil zich tot de strafmaat en de burgerlijke vorderingen. Het hof van beroep bevestigde zowel de opgelegde geldboete als de toegekende schadevergoedingen en onderstreepte opnieuw het belang van het fundamenteel recht op menswaardig wonen binnen het Vlaamse woonbeleid.

Het Hof van Cassatie verwierp het ingestelde cassatieberoep. De motivering van de straf werd als voldoende nauwkeurig beoordeeld en niet als louter standaardformule. De ernst van de feiten, het financieel motief, de behaalde winsten en het aanzienlijke onroerend vermogen van de beklaagde rechtvaardigden een effectieve geldboete zonder opschorting of uitstel. De straf werd noodzakelijk geacht als maatschappelijke vergelding en als aansporing tot naleving van de woonkwaliteitsregels. De veroordeling en de schadevergoedingen werden daardoor definitief bevestigd.

Lees de samenvatting in een andere taal :