G.-T. zijn sociale huurders die bij het aangaan van hun huurovereenkomst verklaarden geen eigenaar te zijn van enig onroerend goed. In de overeenkomst werd toegestaan dat de sociale verhuurder hun persoonsgegevens gebruikt om na te gaan of aan de toekenningsvoorwaarden wordt voldaan.

Na een buitenlands vermogensonderzoek door een Nederlandse onderneming bleek dat zij toch over onroerend goed in het buitenland beschikken. Dit werd bevestigd door een verslag en door een attest van een bevoegde vastgoedexpert waaruit bleek dat een perceel toebehoort aan G. Op basis hiervan vorderde WOONST de ontbinding van de huurovereenkomst. De vrederechter gaf hieraan gevolg.

In hoger beroep werd geoordeeld dat het vermogensonderzoek niet onrechtmatig was. De huurders hadden toestemming gegeven voor controle, het Kaderbesluit Sociale Huur machtigt dergelijke onderzoeken en de persoonsgegevens mochten worden gedeeld voor dit doel. Er was geen sprake van discriminatie en zelfs bij onrechtmatig verkregen bewijs mocht hiermee rekening worden gehouden volgens de Antigoon-doctrine, aangezien het gaat om feiten strijdig met de openbare orde.

Ook het beroep op de detectivewet werd verworpen omdat het onderzoek niet op Belgisch grondgebied werd uitgevoerd. De verklaring op erewoord bleek eveneens geldig, aangezien zij ook betrekking had op buitenlands onroerend goed. Het bijkomende attest bevestigde bovendien afdoende het eigendom, terwijl het tegenbewijs enkel wees op mogelijke veroudering van de gegevens.

De rechtbank bevestigde de ontbinding van de huurovereenkomst wegens contractuele wanprestatie en een aanhoudend frauduleus verzwijgen van verplichte informatie. De kosten van het vermogensonderzoek konden echter niet op de huurders worden verhaald, aangezien dit behoort tot de wettelijke taak van de sociale verhuurder. De gerechtskosten werden daarom verdeeld: 90% ten laste van WOONST en 10% ten laste van G.-T.

Lees de samenvatting in een andere taal :