Deze zaak gaat over het niet nakomen door de huurder van de huurgelden van 725 euro per maand die hij verschuldigd is aan de eigenaar en verhuurder van het appartement. De verhuurder vordert de betaling van de huurachterstallen, vermeerderd met een wederhuringsvergoeding, evenals de ontbinding van de huurovereenkomst. Bij vonnis van 30 september 2020 veroordeelt de vrederechter de huurder tot betaling van de huurachterstallen en de kosten, ontbindt hij de huurovereenkomst van 2015, beveelt hij de huurder het appartement te verlaten binnen de maand en machtigt hij de verhuurder om de huurder uit het appartement te zetten indien deze het pand niet vrijwillig verlaat. Tegen dit vonnis stelt de huurder hoger beroep in.

De huurder betwist niet dat hij een huurachterstal heeft van meer dan drie maanden, met een totaalbedrag van 2.560 euro. Hij vraagt de rechter om de huurovereenkomst niet te ontbinden en om te worden toegelaten de huurachterstallen gespreid te betalen aan 150 euro per maand.

De rechter in beroep stelt vooreerst vast dat de huurder op 15 september 2020 werd toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, waardoor een toestand van samenloop is ontstaan. Dit houdt volgens de rechter in beroep in dat het afbetalingsvoorstel van de huurder moet worden voorgelegd aan de schuldbemiddelaar, de andere schuldeisers of de bevoegde schuldbemiddelingsrechter. Hoewel deze toestand een uitdrijving van de huurder niet verhindert, verleent zij wel een belangrijke rol aan de schuldbemiddelaar. De rechter in beroep stelt bovendien vast dat er sinds de collectieve schuldenregeling geen nieuwe huurachterstallen zijn ontstaan.

In die omstandigheden oordeelt de rechter in beroep dat rekening moet worden gehouden met enerzijds de bekommernis om menswaardige levensomstandigheden voor de schuldenaar-huurder en zijn familie, en anderzijds met de financiële belangen van de verhuurder. Een gedwongen verhuis van de schuldenaar-huurder heeft verstrekkende gevolgen voor hem en zijn gezin en brengt aanzienlijke kosten met zich mee die de terugbetalingskansen van de verhuurder en de andere schuldeisers ernstig zouden aantasten. Om die reden ziet de rechter in hoger beroep er voorlopig van af om onmiddellijk een eindvonnis te vellen en richt hij zich eerst tot de schuldbemiddelaar van de schuldenaar-huurder om informatie in te winnen over de concrete stand van de schuldenafbouw. Op die manier heeft de rechter in beroep vermeden dat een gerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst bij een dergelijke onbetwiste vordering van huurachterstallen de partijen in een nog moeilijkere situatie zou hebben gebracht.

Lees de samenvatting in een andere taal :