Het arrest Lacatus t. Zwitserland vormde een keerpunt in de erkenning van het verband tussen bedelarij en menselijke waardigheid. Het leidde tot een systematische analyse van alle Belgische gemeentelijke bedelreglementen en vormde de basis voor een collectieve klacht bij het Europees Comité voor Sociale Rechten wegens schending van de artikelen 16 en 30 van het Europees Sociaal Handvest, die staten verplichten armoede en sociale uitsluiting actief te bestrijden .
Deze ontwikkeling werd voortgezet door de beslissing Dian t. Denemarken van 21 mei 2024. De zaak betrof een Roemeense onderdaan die werd veroordeeld tot een gevangenisstraf en geldverbeurdverklaring wegens bedelen in een voetgangerszone in Kopenhagen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verduidelijkte dat artikel 8 EVRM geen algemeen recht om te bedelen waarborgt.
Wel erkent het Hof dat de menselijke waardigheid ernstig in het gedrang kan komen wanneer iemand niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt. In zulke omstandigheden kan bedelen een manier zijn om een onmenselijke en precaire situatie te overstijgen. Die beoordeling vereist een individuele analyse van de economische en sociale situatie van de betrokkene.
In het concrete geval stelde het Hof vast dat de verzoeker meerdere inkomstenbronnen had, een woning bezat in zijn land van herkomst en niet volledig werd verhinderd om te bedelen in Denemarken. Bedelarij vormde voor hem geen noodzakelijke bestaanswijze maar slechts een aanvullende inkomstenbron.
Daarnaast ging het niet om een algemeen bedelverbod. Het Deense recht laat bedelen toe onder bepaalde voorwaarden en beperkt het enkel in specifieke zones of bij overlast. Bijgevolg werd artikel 8 niet toepasselijk geacht en werd het verzoek onontvankelijk verklaard.
Deze beslissing wijzigt de principes uit het arrest Lacatus niet. Bedelen blijft geen absoluut recht, maar wordt beschermd wanneer het noodzakelijk is om een situatie te beëindigen die strijdig is met de menselijke waardigheid. Het Hof bevestigt tegelijk dat regulering mogelijk blijft.
Toch roept de toepassing van deze beginselen vragen op. Een te ruime aanvaarding van plaatselijke beperkingen kan het recht om te bedelen illusoir maken. Ook de verwijzing naar “begeleide terugkeer” naar het land van herkomst wekt bezorgdheid, aangezien zij het risico inhoudt dat mensen in armoede worden uitgesloten op grond van hun verblijfsstatus.
Noch het arrest Lacatus, noch de beslissing Dian biedt een antwoord op het structurele verbod voor arme mensen om hun land te verlaten om elders, samen met hun familie, een menswaardig bestaan op te bouwen.
Lees het commentaar in een andere taal: