Het kraken van onroerende goederen kent een lange geschiedenis, maar kreeg pas in 2017 een specifiek wettelijk kader met de Krakerswet. Aanleiding was een mediageniek kraakgeval in Gent, waarna de wetgever snel ingreep en kraken expliciet strafbaar maakte. Deze wet introduceerde nieuwe strafrechtelijke en burgerrechtelijke instrumenten om eigenaars sneller in het bezit van hun pand te herstellen. De snelheid en context van de totstandkoming voedden echter de kritiek dat het om steekvlamwetgeving ging die fundamentele rechten schond, wat leidde tot een vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof.
Kraken kan worden omschreven als het zonder recht of toestemming in gebruik nemen of houden van een onroerend goed. De motieven van krakers lopen uiteen: sommigen handelen uit pure woonnood, anderen uit ideologische overtuiging om structurele problemen op de woningmarkt aan te kaarten, en een derde groep gebruikt gekraakte panden voor criminele activiteiten. Vooral voor krakers uit noodzaak fungeert kraken als overlevingsstrategie in een context van woningtekorten en onbetaalbare huren.
Bij de beoordeling van kraken botsen meerdere grondrechten. Het eigendomsrecht van de eigenaar wordt traditioneel afgewogen tegen het grondrecht op wonen van de kraker, aangevuld met het recht op bescherming van de woonst. Het eigendomsrecht is grondwettelijk en internationaal beschermd, maar niet absoluut en kan worden beperkt in functie van het algemeen belang, onder meer via woonbeleid. Het grondrecht op wonen legt vooral verplichtingen op aan de overheid en speelt slechts beperkt in verhoudingen tussen burgers onderling. Het kan hoogstens een verzachtende rol spelen bij de uitvoering van een uithuiszetting, zonder ooit een blijvend verblijfsrecht te rechtvaardigen.
De Krakerswet voerde nieuwe misdrijven in, waaronder lokaalvredebreuk voor niet-bewoonde panden, en breidde het misdrijf huisvredebreuk uit voor bewoonde woningen. Daarnaast werd een strafrechtelijk ontruimingsbevel ingevoerd, waarbij de procureur des Konings een snelle ontruiming kon bevelen, en kwam er een bijzondere burgerrechtelijke uithuiszettingsprocedure bij de vrederechter. Deze combinatie moest efficiëntie en snelheid garanderen.
Het Grondwettelijk Hof bevestigde grotendeels de beleidsvrijheid van de wetgever, maar vernietigde het strafrechtelijk ontruimingsbevel omdat het onvoldoende rechterlijke controle bood. Een voorafgaande toets door een onafhankelijke en onpartijdige rechter werd als een essentiële waarborg beschouwd. Ook legde het Hof dwingende interpretaties op om te voorkomen dat de strafbaarstelling sociale protestacties zou treffen en om het gebruik van eenzijdige verzoekschriften te beperken tot uitzonderlijke gevallen.
Na het arrest werd een nieuw wetsvoorstel ingediend om het strafrechtelijk ontruimingsbevel te herstellen, ditmaal met betrokkenheid van de onderzoeksrechter. Hoewel dit voorstel mogelijk grondwettelijk standhoudt, rijzen vragen over de noodzaak en efficiëntie ervan. Een snelle en goed uitgebouwde burgerrechtelijke procedure biedt eigenaars immers al voldoende bescherming.
Uiteindelijk blijft de kern van het probleem structureel. Strafrechtelijke repressie blijkt weinig doeltreffend tegen kraken uit noodzaak. Een doordacht woonbeleid, met aandacht voor leegstandsbestrijding, sociale huisvesting, tijdelijke invulling van panden en noodwoningen, vormt het meest effectieve middel om zowel het eigendomsrecht te beschermen als woonnood te verminderen. Zonder dergelijke structurele oplossingen blijft de strafbaarstelling van kraken vooral symptoombestrijding.
Lees het commentaar in een andere taal : Dit commentaar is alleen beschikbaar in het Nederlands.