De auteur stelt zich de vraag of de stelling van Bart De Temmerman in het boek “Trois ans de droit de plainte. Évaluation et perspectives” (M. Nève & B. De Temmerman (éds.), la Charte, 2025, 55) kan worden bijgevallen. Volgens De Temmerman sneuvelt de laagdrempeligheid van het beklagrecht van de gedetineerden op de drempel van de Raad van State. De Raad van State is de cassatierechter van de beroepscommissies in de schoot van de Conseil central de surveillance pénitentiaire. De Temerman illustreert zijn stelling met een vernietigingsarrest van de Raad van State (29 juni 2023, nr. 256.989) waarin de afwezig gebleven geïnterneerde als de in het ongelijk gestelde tegenpartij de kosten (rolrechten en een bijdrage voor het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand) die de gevangenisdirecteur had voorgeschoten, moet betalen. Bovenop dat bedrag van 222 euro moet de geïnterneerde nog een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro aan de gevangenisdirecteur betalen.

De auteur schetst eerst de alsmaar toenemende gevangenispopulatie. Hij verwijst naar criminologische studies waaruit kan worden opgemaakt dat de gevangenis een vindplaats van multidimensionele armoede is. Vele gedetineerden verkeren voor de aanvang van hun detentie al in precaire situaties die in de gevangenis worden bestendigd en geaccumuleerd. Vaak verliezen de gedetineerden hun inkomen of uitkering bij hun opsluiting in de gevangenis.

De auteur maakt vervolgens duidelijk dat de vraag naar gevangenisarbeid veel groter is dan het aanbod waardoor meer dan de helft van de gedetineerden niet werken in de gevangenissen. Bovendien valt gevangenisarbeid buiten de bescherming van het sociaal recht. Gevangenisarbeid wordt bijgevolg lager vergoed dan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen.

In een volgend hoofdstuk verduidelijkt de auteur de laagdrempeligheid van de procedure voor de klachten- en de beroepscommissies. Die procedures zijn kosteloos en de gedetineerden kunnen maar moeten zich niet laten bijstaan door een advocaat. Geïnterneerden moeten desnoods ambtshalve worden bijstaan door een advocaat.

Dat wordt anders bij het cassatieberoep bij de Raad van State. Ambtshalve bijstand van een advocaat voor de geïnterneerde valt dan weg. De procedure wordt ook betalend en een cassatieberoep kan niet worden ingediend zonder de bijstand van een advocaat. Bovendien geldt in de cassatieprocedure het beginsel van “de verliezer betaalt”. De auteur geeft van de toepassingen van deze procedureregels een inzicht op basis van de 16 beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en de 44 eindarresten die in de databank van de Raad van State zijn opgenomen.

Hierna beschrijft de auteur de mogelijkheden om die drempel bij de Raad van State in individuele gevallen te verlagen door de mogelijkheid om rechtsbijstand en juridische tweedelijnsbijstand te krijgen.

De auteur besluit dat de stelling van De Temmerman bijval verdient. De kosteloosheid van die beklagprocedures wordt in graad van cassatieberoep immers ingeruild voor een betalende procedure waarvoor het “verliezer betaalt”-principe geldt. Zelfs wanneer de gedetineerde rechts- en juridische tweedelijnsbijstand krijgt. Dat wordt nog versterkt door de vaststelling dat de gedetineerden als tegenpartij vaak afwezig blijven in die cassatieprocedures. In die gevallen wordt dan ook geen rechts- en juridische tweedelijnsbijstand verleend. Bovendien blijkt uit de rechtspraktijk dat de gedetineerden in de cassatieprocedure vaak geen rechts- en/of juridische tweedelijnsbijstand vragen. Noch als verzoekende partij, noch als aanwezige verwerende partij. De geïnterneerde wordt ook niet langer bijgestaan door een ambtshalve aangewezen advocaat. Tot slot kan een cassatieberoep slechts worden ingediend met bijstand van een advocaat die bij voorkeur vertrouwd is met de cassatieprocedure voor de Raad van State en de regels rond de rechts- en juridische tweedelijnsbijstand.

Dit commentaar is alleen beschikbaar in het Nederlands.