De vereiste van openbare veiligheid, die een gemeentelijke autoriteit moet handhaven, verhindert dat mensen verblijven op percelen die zich in een zone met een laag overstromingsrisico bevinden. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om het recht op huisvesting voor de verdedigende partijen effectief te waarborgen, vooral omdat zij tot de zogenaamde ‘woonwagenbewoners’ behoren. De eisende partij kan zich niet onttrekken aan haar verplichting om een terrein te vinden dat voldoet aan de behoeften van de verweerders en respectvol is voor hun levensstijl. Een eventuele uitzetting zal worden opgeschort voor een periode van vijf maanden vanaf de betekening van dit vonnis.

—–

Al eeuwenlang worden woonwagenbewoners in Europa geconfronteerd met uitzettingen, uitsluiting en gedwongen rondtrekken. In België, en meer bepaald in het Waals Gewest, blijft hun onthaal grotendeels afhankelijk van de goede wil van de gemeenten, bij gebrek aan een bindend en gecoördineerd beleid. Het uiterst beperkte aantal ingerichte standplaatsen maakt hun recht op huisvesting grotendeels theoretisch, terwijl hun aanwezigheid op het grondgebied ouder is dan de Belgische staat.

De beslissing van de vrederechter van Limburg van 16 mei 2024 illustreert deze structurele problematiek. Drie gezinnen verbleven gedurende bijna twintig jaar op een gemeentelijk terrein in Baelen op basis van een zogenaamd voorlopig akkoord. De verwoestende overstromingen van 2021 maakten de site onveilig, waardoor twee gezinnen moesten vertrekken. Het derde gezin vestigde zich opnieuw op het terrein bij gebrek aan een alternatief dat verenigbaar was met hun levenswijze.

De gemeente vroeg een snelle ontruiming in naam van de openbare veiligheid en beriep zich op het overstromingsrisico en het verbod om zelfs lichte woonvormen toe te laten in risicogebieden. De voorgestelde herhuisvestingsoplossingen bestonden evenwel uit transitwoningen die onverenigbaar waren met het wonen in een caravan.

De rechter erkent de legitimiteit van de bekommernissen inzake openbare veiligheid en beveelt de vrijmaking van het terrein. Tegelijk stelt hij vast dat het recht op huisvesting, verankerd in artikel 23 van de Grondwet, concrete verplichtingen oplegt aan de overheid, die nog worden versterkt wanneer het gaat om leden van de gemeenschap van woonwagenbewoners.

De Europese rechtspraak benadrukt dat het leven in een caravan een essentieel onderdeel vormt van hun culturele identiteit en dat hun kwetsbaarheid een bijzondere aandacht vereist. Herhaalde uitzettingen zonder termijn of herhuisvesting vormen schendingen van het recht op eerbiediging van de woning, het privé- en gezinsleven, de menselijke waardigheid en de rechten van het kind.

Ook wordt gewezen op de vereisten voortvloeiend uit het Europees Sociaal Handvest en de beslissingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten, dat België reeds heeft veroordeeld wegens het tekort aan toegankelijke standplaatsen en het onrechtmatig gebruik van uitzettingen.

In dit kader wordt de eventuele uitzetting geschorst voor een periode van vijf maanden. Het is aan de gemeente om een geschikt terrein aan te bieden dat de installatie in caravans mogelijk maakt, met aansluiting op water en elektriciteit en met voorzieningen voor afvalverwerking.

De beslissing betekent een concrete erkenning van de fundamentele rechten van woonwagenbewoners. Zij bevestigt dat openbare veiligheid niet kan dienen als rechtvaardiging voor het verzaken aan de herhuisvestingsplicht en dat de daadwerkelijke uitoefening van het recht op wonen de lokale overheden verplicht om oplossingen te bieden die de menselijke waardigheid en de nomadische levenswijze respecteren.

Lees het commentaar in de oorspronkelijke taal: