Het hof van beroep veroordeelt de beklaagden voor het strafbare verhuren van vijf studio’s en vijf kamers, die geen studentenkamers of kamers voor seizoenarbeiders in de land- en tuinbouwsector waren, in een pand dat van augustus 2010 tot juni 2014 niet voldeed aan de woonkwaliteitsvereisten en/of overbewoond was. Het feit dat vele huurders de huur niet of niet volledig betaalden en dat de beklaagden hoge verkrottings- en leegstandsheffingen moesten betalen, werd door het hof van beroep niet relevant geacht voor het bepalen van de strafmaat.

Het hof van beroep sprak de bijkomende straf uit van de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen voortvloeiend uit het misdrijf, met name de huuropbrengsten. Bij het bepalen van de omvang van deze vermogensvoordelen hield het hof onder meer rekening met het feit dat de beklaagde niet steeds de volledige contractueel opeisbare huur daadwerkelijk ontving en dat hij heffingen heeft moeten betalen wegens de slechte toestand van de studio’s en kamers.

De vordering van de huurders van de studio’s en kamers, die zich burgerlijke partij hadden gesteld met het oog op de nietigverklaring van hun huurovereenkomsten, werd door het hof van beroep wegens onbevoegdheid afgewezen. De strafrechter in eerste aanleg had deze vorderingen wel ingewilligd. De vordering tot terugbetaling van de huurwaarborg werd afgewezen omdat de huurders niet hadden bewezen dat zij effectief een huurwaarborg hadden betaald. Ook de vordering tot terugbetaling van de betaalde huurgelden werd afgewezen, aangezien de huurders in ruil voor die huurgelden het pand van de beklaagde hadden mogen bewonen, zij niet aantoonden dat zij minder huurgeld zouden hebben betaald indien hen conforme woningen waren verhuurd en zij evenmin aannemelijk maakten dat zij schade hadden geleden door de betaling van huurgelden.

Lees de samenvatting in een andere taal :