De openingsrede die Lieven Lenaerts bij de start van het nieuwe werkjaar van het Arbeidshof Brussel hield, gaat over de evolutie van de sociaaleconomische grondrechten sedert hun opname in artikel 23 van de Grondwet in 1994. De auteur stelt daarbij de vraag of we niet voorbij het standstillbeginsel moeten gaan en moeten evolueren naar het fundamentele recht van eenieder op een menswaardig leven.

Artikel 23 voegde sociaaleconomische en culturele rechten toe aan de liberaal georiënteerde Grondwet van 1830, waarbij voor de verwezenlijking van deze rechten een positieve inbreng van de overheid wordt verwacht, in tegenstelling tot de klassieke vrijheidsrechten die negatieve verplichtingen inhouden. Voor de arbeidsgerechten zijn vooral het recht op arbeid, billijke arbeidsvoorwaarden, collectieve onderhandelingen en sociale zekerheid van belang.

In de rechtsleer werd weinig aandacht besteed aan de inhoudelijke onderbouwing van de gemeenschappelijke noemer van rechten – het recht om een menswaardig leven te leiden – waarvoor een multidisciplinaire benadering met filosofie, moraal en humanistische psychologie noodzakelijk is. Fierens onderzoekt de filosofische wortels van menswaardigheid vanaf Plato tot Kant, die laatste concludeerde dat het aan de wet en het recht is om het respect voor de menselijke waardigheid vast te leggen. Dit beginsel werd verankerd in het Charter van de Verenigde Naties (1945) en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), en keert terug in talrijke internationale verdragen.

Lancksweerdt beschouwt de menselijke waardigheid als de fundering van de sociaaleconomische en mensenrechten en zelfs van het recht in het algemeen. Hij omschrijft mensenrechten als groeivoorwaarden om te mogen worden wie we werkelijk zijn, waarbij verantwoordelijkheid essentieel is aangezien artikel 23 tweede lid zowel verwijst naar rechten als overeenstemmende plichten.

Het rechtsleven streeft naar gelijkheid maar stuit op individuele en maatschappelijke ongelijkheden die door ongelijkheidscompenserende maatregelen moeten worden geneutraliseerd. Nussbaum ontwikkelde samen met Nobelprijswinnaar Amartya Sen de ‘capability approach’, een ontwikkelingsgerichte benadering die tegemoetkomt aan verschillende menselijke behoeften gericht op de ontplooiing van menselijke vermogens. Nussbaum benadrukt dat een grondwet slechts kan bijdragen aan de veiligheid van mensen wanneer er adequate toegang tot rechtspraak bestaat en er gerechtvaardigd vertrouwen is in het gedrag van rechters.

De rol van de rechter beperkt zich dan ook niet tot conflictoplossing, maar omvat ook samenwerking onder meer via bemiddeling, verzoening en collaboratieve onderhandelingen.

De algemene en vage verwoording van het recht om een menswaardig leven te leiden verhindert niet dat we hier te maken hebben met een algemeen rechtsbeginsel. In de parlementaire voorbereiding werd benadrukt dat artikel 23 in beginsel geen subjectieve rechten aan de burger toekent. Het artikel heeft een oriënterend karakter en kan voor rechters een interpretatierichtlijn zijn.

Het standstillbeginsel, afgeleid uit de parlementaire voorbereiding, houdt in dat de regelgever het beschermingsniveau niet aanzienlijk kan verminderen zonder redenen die verband houden met het algemeen belang. Het Grondwettelijk Hof verfijnde deze definitie door het te bevestigen dat het proportionaliteitsbeginsel een essentieel onderdeel vormt van de standstill-toetsing.

Vanneste, Mormont en Stangherlin betogen dat het standstillbeginsel niet volstaat en pleiten voor een directe objectieve controle op basis van de harde kern van artikel 23: het recht op menselijke waardigheid. Een passe-partout verwijzing naar algemene budgettaire doelstellingen volstaat niet; de toetsing mag niet abstract maar moet selectief gebeuren, waarbij de situatie van de sociaal verzekerde in verband met menselijke waardigheid in rekening wordt gebracht.

Mormont schetst vier stappen voor de toetsing van standstill: het vaststellen van vermindering van beschermingsniveau, de aanzienlijke aard van die vermindering, rechtvaardiging door motieven van algemeen belang, en proportionaliteit, waarbij de bewijslast op de overheid rust. Het Hof van Cassatie oordeelde dat een uitdrukkelijke motivering in de tekst niet vereist is en de overheid de redenen ook achteraf kan verantwoorden.

Het recht van ieder mens om een menswaardig leven te leiden vormt de fundering van de sociale grondrechten en is een algemeen rechtsbeginsel, waarbij de rechtsleer pleit om haasje over de standstill te springen naar de kernverplichting van artikel 23. Voor de overheid en de rechtspraak blijft het een uitdaging om dit kernbegrip vorm te geven, zodat het recht niet dode letter wordt maar levend blijft.

N.B.: Deze tekst verscheen eerder in het Rechtskundig Weekblad, 2025-26, 442-447.

Dit commentaar is alleen beschikbaar in het Nederlands.