Het arrest nr. 117/2022 van 29 september 2022 van het Grondwettelijk Hof betreft het stelsel van het overlevingspensioen voor de langstlevende echtgenoot. Door de wetten van 5 mei 2014 en 10 augustus 2015 werd dit stelsel grondig hervormd. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een overlevingspensioen werd geleidelijk verhoogd van 45 naar 50 jaar, de uitzondering voor de langstlevende echtgenoot met kinderen ten laste werd afgeschaft en een tijdelijke overgangsuitkering werd ingevoerd.

Deze overgangsuitkering wordt toegekend voor twaalf maanden wanneer er geen kinderen ten laste zijn en voor vierentwintig maanden wanneer één of meerdere kinderen ten laste zijn, ongeacht hun leeftijd. Naar aanleiding van betwistingen door weduwen met kinderen ten laste stelden het Arbeidshof en de Arbeidsrechtbank van Luik prejudiciële vragen over de grondwettigheid van deze regeling. De betrokkenen ontvingen slechts een overgangsuitkering van beperkte duur in plaats van een overlevingspensioen.

Het Hof erkent dat de wetgever met deze hervorming beoogde de langstlevende echtgenoot aan te moedigen om actief te blijven op de arbeidsmarkt en een arbeidsval te vermijden. Deze doelstelling wordt als legitiem beschouwd. De regeling houdt echter onvoldoende rekening met de situatie van personen met gezinslasten die arbeid en zorg moeilijk kunnen combineren. Na afloop van de overgangsperiode kunnen zij zonder voldoende bestaansmiddelen achterblijven.

Deze problematiek treft in de praktijk vooral vrouwen die vóór het overlijden van hun echtgenoot niet of slechts deeltijds werkzaam waren. Voor personen die hierdoor een reëel risico lopen op een kwetsbare en precaire situatie, vormt de uniforme beperking van de overgangsuitkering tot 24 maanden, los van de leeftijd van de kinderen, een schending van de Grondwet.

Lees de samenvatting in een andere taal: