In een geschil voor de vrederechter van het kanton Aarlen vordert een eiser de betaling van een schuld. Nadat het hoofdbedrag werd vereffend, blijft enkel een bedrag aan gerechtskosten verschuldigd, waaronder een bijdrage van 20 euro aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand. De verweerder betwist deze terugbetaling omdat hij juridische tweedelijnsbijstand geniet en wettelijk is vrijgesteld van die bijdrage.
Deze situatie leidt tot een verschil in behandeling tussen eisers die in het gelijk worden gesteld. Wanneer de verweerder geen juridische tweedelijnsbijstand geniet, draagt de verliezende partij de bijdrage aan het Fonds. Wanneer de verweerder wél van deze bijstand geniet, blijft de bijdrage daarentegen ten laste van de eiser die het geding heeft gewonnen. Dit roept vragen op over de gelijkheid van burgers voor de openbare lasten.
Het Grondwettelijk Hof wordt verzocht te oordelen over de verenigbaarheid van deze regeling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof herinnert eraan dat een verschil in behandeling mogelijk is wanneer dit steunt op een objectief criterium en redelijk verantwoord is. In dit geval berust het onderscheid op het al dan niet genieten van juridische tweedelijnsbijstand door de verweerder.
Het Hof stelt vast dat de wetgever twee doelstellingen nastreefde: enerzijds moest de bijdrage in beginsel worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij, anderzijds mocht een behoeftige partij die juridische bijstand geniet niet met bijkomende kosten worden belast.
Hoewel de maatregel geschikt is om de verweerder met juridische bijstand te beschermen, is zij niet passend om het eerste doel te realiseren. In de situatie waarin de eiser in het gelijk wordt gesteld tegenover een verweerder met juridische tweedelijnsbijstand, wordt de bijdrage immers gedragen door de winnende partij, wat strijdig is met de bedoeling van de wetgever.
Het Hof oordeelt dat het nagestreefde doel kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel, zoals een terugbetaling van de bijdrage door het Fonds aan de eiser, ongeacht de situatie van de verweerder. Aangezien een dergelijk alternatief mogelijk is, ontbreekt een redelijke verantwoording voor het bestaande verschil in behandeling.
De betrokken wettelijke bepaling schendt daarom het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, in zoverre de bijdrage aan het Fonds ten laste blijft van de eiser die in het gelijk werd gesteld wanneer de verweerder juridische tweedelijnsbijstand geniet. De wetgever dient deze ongelijkheid te verhelpen. Tot zolang kan de vrederechter de verweerder niet verplichten de bijdrage van 20 euro aan de eiser terug te betalen.
Lees de samenvatting in een andere taal :