Een rechter van de rechtbank van eerste aanleg wordt geconfronteerd met een delicate situatie: hij moet een verweerder veroordelen tot het betalen van de rolrechten omdat deze in het ongelijk wordt gesteld. De verweerder is duidelijk behoeftig, maar heeft geen rechtsbijstand aangevraagd. Een toekenning van de rechtsbijstand had hem nochtans kunnen vrijstellen van het rolrecht. Waarom de verweerder dit niet heeft aangevraagd is niet bekend. Het is, althans in theorie, gemakkelijk om rechtsbijstand aan te vragen: het verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend zonder enige formaliteit. Hoe het ook moge zijn, de rechter is terughoudend om de verweerder te veroordelen tot het betalen van het rolrecht louter omdat hij geen rechtsbijstand heeft gevraagd, hoewel hij daar recht op had…
De rechter legt de zaak vervolgens voor aan het Grondwettelijk Hof voor een uitspraak over de vraag of de situatie discriminerend is. Technisch gezien wordt het Hof ondervraagd over het verschil in behandeling tussen twee categorieën van verweerders die in het ongelijk worden gesteld en die voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van rechtsbijstand: (1) enerzijds, diegenen welke die bijstand genieten en daardoor niet tot het betalen van het rolrecht kunnen veroordeeld worden, (2) anderzijds, diegenen welke die bijstand niet genieten omdat zij die niet hebben aangevraagd en dus wel tot het betalen van het rolrecht kunnen veroordeeld worden. Is dit verschil discriminerend?
Op een pragmatische, doch niet subjectieve wijze, oordeelt het Hof dat het “onevenredig [is] dat de rechter aan de betrokkene geen rechtsbijstand zou kunnen verlenen voor de betaling van het rolrecht, zelfs zonder een verzoek vanwege die laatste”. Met andere woorden, het strookt niet met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel dat de rechter de in het ongelijk gestelde verweerder enkel veroordeelt tot betaling van het rolrecht omdat deze geen rechtsbijstand heeft gevraagd, terwijl de rechter weet dat de verweerder aan de voorwaarden voor rechtsbijstand voldoet omdat hij juridische tweedelijnsbijstand geniet.
Er is hier wel een klein voorbehoud: het Hof heeft zich enkel uitgesproken over de specifieke situatie waarin de verweerder die geen rechtsbijstand heeft gevraagd, reeds juridische tweedelijnsbijstand geniet. Juridische tweedelijnsbijstand impliceert dat het vaststaat dat de verweerder in een situatie van behoeftigheid verkeert die hem recht geeft op rechtsbijstand. Toch is dit arrest een goed voorbeeld van hoe de ongelukkige gevolgen van het feit dat een persoon in armoede geen gebruik maakt (non-take-up) van een recht waarop hij nochtans aanspraak kan maken, niet altijd moeten worden aanvaard…
Lees de samenvatting in een andere taal :