Y.F. en J.H. worden in eerste aanleg door de correctionele rechtbank vrijgesproken van de tenlastelegging wegens opzettelijke slagen en verwondingen. De rechtbank verklaart zich bovendien onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van het slachtoffer. De burgerlijke partij stelt hoger beroep in, uitsluitend met betrekking tot de burgerlijke vordering. Het hof van beroep verklaart het beroep strafrechtelijk onontvankelijk, maar acht de burgerlijke vordering gegrond en veroordeelt Y.F. en J.H. tot betaling van een schadevergoeding, nadat de feiten die als misdrijf worden gekwalificeerd bewezen worden geacht.

Naar aanleiding van deze veroordeling rijst de vraag of de betrokkenen een bijdrage verschuldigd zijn aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, opgericht bij de wet van 19 maart 2017. Het hof van beroep beschouwt hen als zogenoemde “verwezenen”, aangezien zij strafrechtelijk werden vrijgesproken en enkel burgerlijk werden veroordeeld na een hoger beroep ingesteld door de burgerlijke partij. Omdat artikel 4, §3, van de wet enkel spreekt over personen die door een strafgerecht worden veroordeeld, meent het hof dat een wettelijke lacune bestaat waardoor geen bijdrage kan worden opgelegd.

Het Grondwettelijk Hof onderzoekt of deze interpretatie verenigbaar is met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Hof stelt vast dat de wetgever met de invoering van het fonds beoogde alle gebruikers van de openbare dienst van justitie te laten bijdragen aan de financiering van de juridische tweedelijnsbijstand, ongeacht of het gaat om burgerlijke, strafrechtelijke of administratieve procedures. Deze bijdrageplicht is verbonden aan het fundamentele recht op toegang tot de rechter en vindt haar grondslag in artikel 23 van de Grondwet.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bijdrage niet uitsluitend bedoeld is voor strafrechtelijk veroordeelden, maar voor alle rechtzoekenden die over voldoende financiële draagkracht beschikken. Tegen deze achtergrond vormt het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling geen relevant criterium om bepaalde veroordeelden uit te sluiten van de bijdrageplicht wanneer zij burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor feiten die als misdrijf worden gekwalificeerd.

Het Hof oordeelt dat het niet redelijk verantwoord is dat personen die in eerste aanleg werden vrijgesproken en nadien, op het enkel hoger beroep van de burgerlijke partij, burgerlijk worden veroordeeld, anders zouden worden behandeld dan personen die via de burgerlijke rechtspleging aansprakelijk worden gesteld voor schade voortvloeiend uit een strafbaar feit, of dan personen die in hoger beroep zowel strafrechtelijk als burgerlijk worden veroordeeld.

In de door het hof van beroep gevolgde interpretatie is artikel 4, §3, van de wet van 19 maart 2017 daarom onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof wijst er evenwel op dat de bepaling vatbaar is voor een grondwetsconforme interpretatie. Het begrip “beklaagde” kan worden opgevat als elke persoon die voor een strafgerecht moet verschijnen zolang geen definitieve beslissing is genomen, ongeacht een eerdere vrijspraak.

Deze interpretatie sluit aan bij het Wetboek van strafvordering en bij de doelstelling van de wetgever. In die lezing bestaat er geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling en is de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ook verschuldigd door de zogenoemde “verwezenen”.

Lees de samenvatting in een andere taal :