De “Ordre des barreaux francophones et germanophone”, de vzw “Syndicat des Avocats pour la Démocratie”, de vzw “L’Atelier des Droits Sociaux”, de vzw “Belgisch Netwerk Armoedebestrijding”, de vzw “Réseau wallon de lutte contre la pauvreté”, de vzw “Ligue des droits humains” en de vzw “Association Syndicale des Magistrats” vorderen de vernietiging van een aantal bepalingen van de wet van 14 oktober 2018 “tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen” (B.S. 20 december 2018).
—–
Het arrest nr. 84/2021 van het Grondwettelijk Hof van 10 juni 2021 betreft de hervorming van de griffierechten zoals ingevoerd door de wet van 14 oktober 2018. Verschillende balies, sociale organisaties en mensenrechtenverenigingen vorderden de vernietiging van een aantal bepalingen die een algemene verhoging van de rolrechten invoerden en de toegang tot justitie volgens hen bemoeilijkten.
De hervorming volgde op een eerdere vernietiging door het Hof in 2017 en had tot doel het systeem van de rolrechten te vereenvoudigen, budgettaire besparingen te realiseren en de bijdrage van de rechtzoekende in de procedurekosten te verhogen. Daarnaast wilde de wetgever het ondoordacht gebruik van gerechtelijke procedures ontmoedigen en alternatieve vormen van geschillenbeslechting bevorderen.
De rolrechten werden opnieuw gekoppeld aan de aard van het bevoegde rechtscollege en niet langer aan de waarde van het geschil. Tegelijk werden de bedragen aanzienlijk verhoogd en werd het ogenblik van invordering verschoven van het begin naar het einde van de procedure. De bedragen varieerden voortaan tussen 50 en 675 euro, afhankelijk van het rechtscollege.
Deze verhogingen betekenden in meerdere gevallen een sterke stijging ten opzichte van de vroegere tarieven, vooral bij de rechtbanken van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbanken en het Hof van Cassatie. De hervorming werd als relevant beschouwd om zowel de administratieve vereenvoudiging als de budgettaire doelstellingen van de wetgever te ondersteunen.
Toch werd vastgesteld dat de verhoogde kostprijs van de toegang tot de rechter een zware last kon vormen voor rechtzoekenden met een inkomen net boven de bestaande plafonds voor juridische tweedelijnsbijstand en rechtsbijstand. Voor deze groep kon de financiële drempel buitensporig zijn en een daadwerkelijke belemmering van het recht op toegang tot justitie vormen.
Vanaf 1 september 2020 trad echter een nieuwe wet in werking die de inkomensplafonds voor juridische bijstand aanzienlijk verhoogde. Hierdoor werd de doelgroep van rechthebbenden sterk uitgebreid en werden bijkomende correctiemechanismen ingevoerd, waaronder jaarlijkse verhogingen, indexering en nieuwe categorieën van personen die geacht worden over onvoldoende bestaansmiddelen te beschikken.
Door deze maatregelen werd de algemene verhoging van de rolrechten vanaf die datum voldoende en proportioneel gecompenseerd. Voor de periode tussen 1 februari 2019 en 31 augustus 2020 ontbrak die compensatie echter. Rechtzoekenden met inkomens tussen de oude en de nieuwe plafonds vielen toen buiten elke bescherming en werden onevenredig getroffen.
Het Hof oordeelde dat de bestreden bepalingen voor deze specifieke categorie een schending vormden van het recht op toegang tot de rechter. Bijgevolg werden de artikelen 2 en 3 van de wet van 14 oktober 2018 gedeeltelijk vernietigd, uitsluitend voor rechtzoekenden wier zaak in die tussenperiode op de rol werd ingeschreven en die tot betaling van rolrechten werden veroordeeld, terwijl hun bestaansmiddelen onder de later verhoogde plafonds lagen.
Lees de samenvatting in een andere taal :