Het arrest van 8 december 2022 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft betrekking op de weigering van de Franse autoriteiten om uitvoering te geven aan rechterlijke bevelen inzake noodopvang voor asielzoekers. Ten tijde van de feiten kwamen verschillende asielzoekers zonder onderdak aan in Frankrijk en konden zij noch gebruikmaken van het reguliere opvangsysteem, noch toegang krijgen tot noodhuisvesting.
Zij startten een kort geding bij de administratieve rechtbank van Toulouse met het verzoek de overheid te verplichten hen onderdak te bieden. De rechtbank gaf hun gelijk en beval de Staat om noodopvang te voorzien. Ondanks deze bindende beslissingen en de procedures die werden opgestart om de uitvoering ervan af te dwingen, weigerden de bevoegde autoriteiten gevolg te geven aan de bevelen en bleven de betrokkenen op straat leven.
De zaak werd voorgelegd aan het Europees Hof, met een beroep op artikel 6, lid 1, van het Verdrag, wegens het uitblijven van de uitvoering van rechterlijke beslissingen en het ontbreken van een doeltreffende spoedprocedure. Het Hof oordeelt dat de toekenning of weigering van noodopvang een burgerlijk recht vormt, waardoor het recht op toegang tot de rechter van toepassing is. Dat recht verliest zijn betekenis wanneer definitieve en bindende rechterlijke beslissingen zonder gevolg blijven. De uitvoering van een vonnis maakt integraal deel uit van het recht op een eerlijk proces.
Het Hof benadrukt dat een Staat zich niet kan beroepen op een gebrek aan financiële of materiële middelen om de naleving van rechterlijke uitspraken te ontlopen. De door de regering aangevoerde verzadiging van de opvangstructuren en het tekort aan middelen volstaan niet om de niet-uitvoering te rechtvaardigen.
Voorts wordt vastgesteld dat de verzoekers bijzonder zorgvuldig hebben gehandeld om uitvoering te verkrijgen, terwijl de administratieve autoriteiten passief bleven. De prefect verstrekte geen gevraagde toelichting, reageerde niet op herhaalde verzoeken en kwam de bevelen pas na tussenkomst van voorlopige maatregelen van het Hof na. Deze houding wijst niet op een loutere vertraging, maar op een duidelijke weigering om rechterlijke beslissingen na te leven. Gezien de bijzondere kwetsbaarheid van de betrokken personen en het risico voor hun menselijke waardigheid, besluit het Hof tot een schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag.
Lees de samenvatting in een andere taal: