In armoede leven betekent niet alleen een tekort aan materiële middelen, maar vooral het onvermogen om daadwerkelijk gebruik te maken van burgerlijke en politieke rechten, evenals van economische, sociale en culturele rechten die samen de basis vormen van een menswaardig bestaan. Vanuit die vaststelling plaatst dit themanummer van het Tijdschrift Grondrechten en armoede het recht op menselijke waardigheid centraal in de strijd tegen armoede. Vier magistraten leveren elk vanuit hun professionele ervaring een geëngageerde en kritische analyse van het juridisch kader, de bestaande knelpunten en de mogelijkheden om deze te overstijgen.

Artikel 23 van de Grondwet vormt de kern van deze reflecties. Als enige grondwetsbepaling waarborgt het uitdrukkelijk het recht van ieder om een menswaardig leven te leiden. Sinds de grondwetsherziening van 1994 vormt het de basis voor de erkenning van economische, sociale en culturele rechten en legt het aan de bevoegde wetgevers de opdracht op om de voorwaarden voor hun uitoefening te regelen. De toepassing van deze bepaling gaf aanleiding tot uiteenlopende interpretaties door verschillende rechtscolleges, waarvan de visies hier samenkomen.

De analyse van artikel 23 belicht onder meer de vraag in hoeverre de wetgever zijn regelgevende bevoegdheid kan delegeren aan de uitvoerende macht. Daarbij wordt het standstillbeginsel naar voren geschoven als een fundamentele waarborg die verhindert dat het beschermingsniveau van sociale rechten zonder algemeenbelangmotieven aanzienlijk wordt verminderd.

De toegang tot de rechter wordt benaderd als een essentiële voorwaarde voor menselijke waardigheid. Rechtsbijstand vormt een cruciale hefboom voor mensen in armoede om hun rechten te laten gelden. De rechtspraak toont dat financiële drempels de toegang tot justitie kunnen ondermijnen en aanleiding kunnen geven tot een schending van het standstillbeginsel.

Ook het socialezekerheidsrecht wordt getoetst aan dit beginsel. Dertig jaar rechtspraak maken duidelijk dat wetgevende hervormingen niet mogen leiden tot sociale achteruitgang en dat rechters een actieve rol moeten spelen door rekening te houden met de concrete levenssituaties van betrokkenen.

Tot slot wordt benadrukt dat alle overheidsinstanties, inclusief de rechterlijke macht, verantwoordelijk zijn voor het effectief waarborgen van de kern van de sociale grondrechten. Het is noodzakelijk menselijke waardigheid centraal te plaatsen in het toezicht op economische, sociale en culturele rechten, zodat het recht een werkelijk instrument wordt in de strijd tegen armoede.

Lees het artikel in een andere taal: