De digitalisering van de overheid is de voorbije jaren sterk versneld, in het bijzonder tijdens de COVID-19-pandemie. Overheden zetten steeds meer in op elektronische communicatie, digitale loketten en online bekendmakingen van besluiten. Deze evolutie biedt kansen voor een efficiëntere en toegankelijkere administratie, maar brengt tegelijk belangrijke risico’s met zich mee voor burgers die moeite hebben om de digitale ontwikkelingen te volgen.
Ondanks talrijke initiatieven om digitale ongelijkheid te verkleinen, ondervindt een aanzienlijk deel van de bevolking problemen met computergebruik, internettoegang en digitale vaardigheden. De voorbeelden van de My eBox, digitale belastingbrieven, coronacertificaten en de digitalisering van de autokeuring tonen aan hoe snel burgers ongewild in moeilijkheden kunnen terechtkomen. Gebrek aan overzicht, complexe platformen en het ontbreken van alternatieve communicatiekanalen versterken het risico op uitsluiting.
De centrale vraag is in welke mate de overheid mag verwachten dat burgers op de hoogte zijn van digitale overheidsinformatie. In dat verband vormt het arrest Landgoed Steenbergen e.a. tegen Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een belangrijk referentiepunt. Het Hof aanvaardt dat administratieve besluiten uitsluitend elektronisch ter beschikking worden gesteld, mits deze publicatie vooraf wettelijk is voorzien, voldoende toegankelijk is en burgers daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om hun rechten uit te oefenen.
Volgens het Hof kan elektronische communicatie bijdragen aan een efficiënter bestuur en valt zij binnen de beoordelingsmarge van de staat. Doorslaggevend is dat burgers een duidelijke, praktische en effectieve mogelijkheid behouden om kennis te nemen van beslissingen en daartegen beroep in te stellen. In de concrete zaak werd geoordeeld dat regelmatige raadpleging van de betrokken website redelijkerwijs kon worden verwacht.
De draagwijdte van dit arrest is echter beperkt. Het Hof hecht groot belang aan het niveau van internettoegang en digitale geletterdheid binnen de samenleving. Hoewel Nederland een zeer hoge internetpenetratie kent, liggen deze cijfers in België lager. Vooral alleenstaanden, ouderen, laagopgeleiden en personen met een laag inkomen lopen een verhoogd risico op digitale uitsluiting.
Uitsluitend elektronische bekendmaking kan deze groepen onevenredig treffen en zo de toegang tot de rechter onder druk zetten. Daarom verdient een gecombineerde bekendmaking — digitaal én op papier — de voorkeur om een zo breed mogelijk publiek te bereiken.
Binnen België bestaan bovendien uiteenlopende regelgevingen over digitale communicatie. Het Vlaamse Bestuursdecreet stelt strikte voorwaarden aan elektronische uitwisseling en vereist uitdrukkelijke toestemming van de burger, die steeds kan worden ingetrokken. In Wallonië geldt expliciet dat niemand verplicht kan worden om uitsluitend digitaal met de overheid te communiceren.
Deze ontwikkelingen sluiten aan bij het bredere debat over digitaal burgerschap en het recht op toegang tot internet. Voorstellen tot grondwetsherziening beogen dit recht te verankeren in artikel 23 van de Grondwet. Daarbij wordt benadrukt dat internettoegang een middel is om mensenrechten te realiseren, geen verplichting. Fysieke loketten en menselijke dienstverlening moeten behouden blijven voor wie digitaal niet mee kan.
De digitalisering hertekent ook de relatie tussen burger en overheid. Hoewel van burgers een zekere verantwoordelijkheid mag worden verwacht, moet deze steeds in evenwicht zijn met de informatie- en zorgplicht van de overheid. Dat leidt tot het besef dat grenzen bestaan aan wat redelijkerwijs van burgers kan worden verlangd.
In dat kader wint het recht op vergissing aan belang. De Belgische Senaat pleit voor een regeling waarbij burgers die te goeder trouw voor het eerst een fout maken niet onmiddellijk worden gesanctioneerd. Inspiratie wordt gevonden in Frankrijk en Nederland, waar de complexiteit van regelgeving en digitalisering aanleiding gaf tot meer mensgerichte benaderingen.
Een recht op vergissing erkent dat fouten vaak voortkomen uit onoverzichtelijke regels en digitale procedures, vooral bij kwetsbare burgers. Door begeleiding, herstelmogelijkheden en dialoog centraal te stellen in plaats van sancties, kan het vertrouwen tussen burger en overheid worden versterkt.
Een toekomstgericht digitaal overheidsbeleid vergt daarom een evenwicht tussen efficiëntie en inclusie. Digitalisering mag de rechtsbescherming niet ondermijnen, maar moet worden verzoend met menselijke maat, toegankelijkheid en bijzondere aandacht voor kwetsbare burgers. Alleen zo kan een moderne digitale overheid werkelijk rechtvaardig en grondrechtenbestendig functioneren.
Lees het commentaar in een andere taal: