De opeenvolgende crisissen hebben de financiële draagkracht van kwetsbare gezinnen zwaar aangetast. Steeds meer consumenten kunnen hun facturen niet meer of slechts gedeeltelijk betalen, wat leidt tot een sterke toename van onbetaalde schulden. Om deze situatie te beheren doen publieke en private schuldeisers in toenemende mate beroep op externe actoren voor de invordering van schuldvorderingen, voornamelijk incassobureaus en gerechtsdeurwaarders  .

Hoewel de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder verondersteld wordt een waarborg te bieden voor wettigheid en bescherming van de schuldenaar, blijkt dit in de praktijk vaak niet het geval. Al jarenlang worden misbruiken vastgesteld: onduidelijke afrekeningen, onrechtmatige kosten, intimidatie en een systematische overschrijding van wettelijke grenzen. Deze praktijken versterken de spiraal van overmatige schuldenlast en treffen vooral sociaal kwetsbare gezinnen.

De invordering van consumentenschulden is uitgegroeid tot een uiterst winstgevende commerciële activiteit. Miljoenen dossiers circuleren jaarlijks in een markt met een omzet van honderden miljoenen euro’s. Gerechtsdeurwaarders zijn steeds dominanter aanwezig geworden en beheren inmiddels meer dan de helft van alle invorderingsdossiers. Onder invloed van de marktlogica bieden sommige kantoren vandaag een geïntegreerde dienstverlening aan die zowel minnelijke als gerechtelijke invordering omvat.

Een beperkt aantal grote gerechtsdeurwaarderskantoren heeft zich ontwikkeld tot ware commerciële ondernemingen. Zij opereren nationaal via netwerken, samenwerkingsverbanden en commerciële partnerschappen die strijdig zijn met het Gerechtelijk Wetboek en de beroepsethiek. De sector kent een sterke concentratie, waarbij een klein aantal grote spelers een aanzienlijk deel van de markt controleert en kleinere kantoren economisch afhankelijk maakt.

Binnen deze context hebben contracten van het type no cure no pay een centrale plaats ingenomen. Deze overeenkomsten laten schuldeisers toe de invordering te laten uitvoeren tegen extreem lage of zelfs nulprijzen. De vergoeding van de invorderaar hangt volledig af van de bedragen die bij de schuldenaar worden geïnd, waardoor de kosten rechtstreeks op deze laatste worden afgewenteld.

In de gerechtelijke fase zijn dergelijke praktijken manifest onwettig. De regelgeving verbiedt zowel resultaatsgebonden vergoedingen als kortingen op wettelijke tarieven. Toch worden deze regels systematisch omzeild. De gerechtsdeurwaarder komt daardoor in een structureel belangenconflict terecht, waarbij hij persoonlijk voordeel haalt uit het vermenigvuldigen van procedures en kosten.

Ook in de minnelijke fase leiden extreem lage tarieven tot gelijkaardige ontsporingen. De vergoeding wordt dan gehaald uit strafbedingen en bijkomende kosten die rechtstreeks op de consument worden verhaald. De grens tussen minnelijke en gerechtelijke invordering vervaagt, terwijl de schuldenaar geconfronteerd wordt met steeds hogere bedragen.

Het toezicht op deze praktijken blijkt structureel ontoereikend. De deontologische controle door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is weinig transparant, traag en zelden sanctionerend. Klachten blijven vaak zonder gevolg, procedures slepen jaren aan en zware sancties zijn uitzonderlijk.

Ook de hervormingen van het tuchtrecht hebben geen effectieve onafhankelijkheid gebracht. De beroepsgroep controleert grotendeels zichzelf, terwijl economische afhankelijkheden en onderlinge relaties een objectieve beoordeling ernstig bemoeilijken. De burgerlijke rechtbanken en beslagrechters bieden evenmin een afdoende tegengewicht, aangezien consumenten zelden procederen wegens gebrek aan informatie, middelen en juridische ondersteuning.

De gevolgen voor schuldenaars zijn bijzonder zwaar. Terwijl schuldeisers nauwelijks nog kosten dragen, worden consumenten geconfronteerd met explosief stijgende schuldvorderingen. De opeenstapeling van nutteloze handelingen vergroot de schuldenlast en maakt schuldafbouw steeds moeilijker.

Deze situatie vereist dringende structurele hervormingen. Schuldeisers moeten hun verantwoordelijkheid opnemen bij het afsluiten van invorderingscontracten. De overheid moet zorgen voor een herorganisatie van het beroep, een onafhankelijke controle, effectieve sancties en een duidelijke strijd tegen het no cure no pay-systeem. Zonder ingrijpen dreigt de schuldenindustrie structureel bij te dragen aan de groeiende schuldarmoede in België

Lees het artikel in een andere taal: