R. R. wordt in 2003 geïnterneerd. Verschillende verzoeken van R. R. (2010 en 2017) om zijn vrijlating worden afgewezen door onderscheiden rechtsinstanties.

—-

Het arrest van het Hof van Cassatie van 1 oktober 2021 verduidelijkt de gevolgen van een vastgestelde schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voor de aansprakelijkheid van de Staat naar nationaal recht. Wanneer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending vaststelt, rust op de verantwoordelijke Staat de verplichting om een einde te maken aan die schending en om de gevolgen ervan zoveel mogelijk ongedaan te maken door herstel van de toestand van vóór de schending.

Indien het nationale recht dit herstel niet of slechts gedeeltelijk toelaat, kan het Europees Hof een billijke genoegdoening toekennen. Deze bevoegdheid van het Europees Hof mag echter niet worden verward met de verplichtingen die op de Staat rusten krachtens het nationale recht. De toekenning van een billijke genoegdoening op grond van artikel 41 EVRM sluit niet uit dat aanvullende schadevergoeding kan worden toegekend volgens nationale aansprakelijkheidsregels die voorzien in een volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout van de Staat.

De zaak betreft een persoon die sinds 2003 geïnterneerd was en van wie meerdere verzoeken tot invrijheidstelling werden afgewezen. Het Europees Hof stelde vast dat de langdurige internering een schending vormde van de artikelen 3 en 5 EVRM en kende een vergoeding toe voor morele schade. Parallel daaraan werd voor de nationale rechter een vordering ingesteld op basis van burgerrechtelijke aansprakelijkheid wegens foutief optreden van de Belgische Staat.

Hoewel in eerste aanleg werd geoordeeld dat de internering vanaf 2010 een fout uitmaakte en een schadevergoeding werd toegekend, wees het hof van beroep de vordering af. Daarbij werd geoordeeld dat het arrest van het Europees Hof gezag van gewijsde had en dat de toegekende billijke genoegdoening de volledige schade reeds had vergoed.

Het Hof van Cassatie verwerpt deze redenering. Het gezag van een arrest van het Europees Hof beperkt zich tot de verplichting voor de Staat om dat arrest uit te voeren, maar verhindert niet dat nationale rechters nagaan of de Staat bijkomende aansprakelijkheid draagt op grond van het interne recht. Het feit dat het Europees Hof een schadevergoeding heeft toegekend, betekent niet dat elke verdere vergoeding uitgesloten is.

Door te oordelen dat het gezag van het arrest van het Europees Hof elke bijkomende beoordeling van schadevergoeding verhinderde, heeft het hof van beroep de verdragsbepalingen miskend. De nationale rechter behoudt de bevoegdheid om, los van artikel 41 EVRM, een volledige schadevergoeding toe te kennen wanneer het nationale recht dat toelaat.

Het bestreden arrest wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof van beroep, dat opnieuw uitspraak moet doen met eerbiediging van het onderscheid tussen de internationale verplichtingen uit het EVRM en de nationale regels inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

Lees de samenvatting in een andere taal :